- Antropologisch essay -

 

 

Text Box:  
DE OERSLANG
 
 
of
Het Universele Denken
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Ontstaan en Ontwikkeling

van Kennistradities,

Mythologieën en Religies

 

 

Ben J. G. Gh. Pirard

 


 


Inhoudstafel

 

 

Beknopte

Inhoudstafel 4

Inleiding. 7

1.    Doel van traditie en haar methode. 8

2.    Oorsprong en ontstaan van tradities. 13

3.    Traditionele gemeenschappen. 17

4.    Informatiedragers. 23

5.    Taal en symboliek. 26

6.    Manieren van menselijk kennen. 31

7.    Mystiek. 37

8.    God, goden en godsbegrippen. 43

9.    Mythologie als neerslag van totaalvisie. 53

Aard en oogmerk van mythologie. 53

Mythisch denken. 53

De mythologische voorstelling en hoe we daarop reageren. 54

Evolutie en samenstelling van mythologieën. 55

Een ontbrekende dimensie. 56

Mythologische archeologie. 57

10.      Mythische tekenen van universele kennis. 64

Het oergegeven: de absolute zijnsgrond. 64

De oeromgeving: 66

Universele archetypische symbolen. 73

11.      Geschiedenis van de mythologie. 88

12.      Relatie natuur en cultuur 92

Nabeschouwende samenvatting. 98

Literatuur 99

 

Text Box:  
ã  B. Pirard 2007
Niets uit deze uitgave mag op enigerlei wijze of in enige vorm worden overgenomen of gebruikt zonder schriftelijke toestemming van de auteur.
 
Ref. http://benpirard.be/
ISBN 9789081069724

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 


Uitgebreide

Inhoudstafel 4

Inleiding. 7

1.    Doel van traditie en haar methode. 8

Taxonomie. 8

Structuur 9

Handhaving en uitbreiding. 9

Organisatieverband als cultuurvorm.. 10

Visie en waardebesef 11

2.    Oorsprong en ontstaan van tradities. 13

Denken en doen. 13

Vorming en invloed van de totaalvisie. 13

Opvolging van meesters. 14

Permanente oergrond. 15

Fluctuaties in niveau en verspreiding. 15

3.    Traditionele gemeenschappen. 17

Kennistradities en religieuze tradities. 17

Verstand en gevoel, kennis en ervaring. 17

Ontstaan en vergaan van religieuze gemeenschappen. 18

Een verschil in accent, aanpak of prioriteit 19

Inzicht en ervaring als gemeenschappelijk doel 20

Kennis of geloof, hoofdzaak en bijzaak. 21

Verbeelding en afbeelding van universele kennis en ervaring. 22

4.    Informatiedragers. 23

Samenhang van informatiedragers. 23

Levende informatiedragers. 23

Dode sporen. 24

Hoogtechnische informatiedragers. 24

5.    Taal en symboliek. 26

Wat is taal 26

Soorten taal 26

Ruimere verbanden. 27

Gebruik en invloed van taal 27

Beperking en relativiteit van taal 28

Symboliek. 29

6.    Manieren van menselijk kennen. 31

Het onderscheid. 31

Indeling en taxonomie. 31

Zoeken en vinden. 32

Kennispatronen vastleggen en laten interageren. 32

Bewustwording. 33

Kennis en ervaring. 33

Basisovertuiging en zelfstandig denken. 34

Groeisprongen in de basisovertuiging. 34

De mystieke ervaring als ultieme groeisprong. 35

7.    Mystiek. 37

Het universele denken van de mensen. 37

Verruimde visie en diepe mystieke ervaring. 37

Weergave en maatschappelijke shock. 38

Maar wat zijn mystieke ervaringen?. 38

Fasen in de mystieke ervaring. 39

8.    God, goden en godsbegrippen. 43

Is ‘God’ enkel een handig begrip zonder realiteit?. 43

Begripsgradaties. 43

Een topbegrip. 44

De realiteit in haar geheel of gehalveerd. 45

God de Vader of Moedergodin. 46

Opperwezens van verschillende hoogten. 47

Meergodendom.. 48

Vergelijkbaarheid. 48

Beeld en werkelijkheid. 49

Ontstaan van het godsbegrip. 50

Conclusies. 52

9.    Mythologie als neerslag van totaalvisie. 53

Aard en oogmerk van mythologie. 53

Mythisch denken. 53

De mythologische voorstelling en hoe we daarop reageren. 54

Evolutie en samenstelling van mythologieën. 55

Een ontbrekende dimensie. 56

Mythologische archeologie. 57

Standaard mythologische lagen. 57

10.      Mythische tekenen van universele kennis. 64

Het oergegeven: de absolute zijnsgrond. 64

De oeromgeving: 66

Elementen of essenties. 66

Een dynamische gelaagde structuur 68

Entiteiten en hun attributen. 70

Universele archetypische symbolen. 73

Ketel, kelk, kolk en klok. 73

Cirkels en cyclussen. 76

Hoorn des overvloeds. 78

Wereldberg en as van de wereld. 80

Scepters en andere symbolische attributen. 81

Levensboom of kennisboom.. 83

Gulden vlies. 85

De Oerslang als archetype. 86

11.      Geschiedenis van de mythologie. 88

12.      Relatie natuur en cultuur 92

Cultuur als toegevoegde waarde. 92

Vrijheidsgraden bepalen cultuurniveau. 92

Natuurlijke selectie van gedragspatronen. 93

Natuur en cultuur in elkaars verlengde. 94

Variaties in zienswijzen, kennis en gedragspatronen. 95

Culturele evolutie. 96

Nabeschouwende samenvatting. 98

Literatuur 99

 

 

 


Inleiding

 

De verschillende tradities of beschavingen van de mensheid hebben elk voor zich gepoogd “het geheel” te overschouwen, en te duiden wat te kennen en doen valt. We mogen gerust aannemen dat geen enkele daar volledig in slaagde, maar dat sommige het doel wel beter benader(d)en dan andere. Iedere traditie heeft dan ook hier of daar een eigen aandachtsveld binnen het geheel van de werkelijkheid, dat door haar het best wordt geduid en weergegeven. Maar geen enkele specifieke menselijke traditie heeft de volledige waarheid in pacht. Er blijven altijd wel gebieden van de werkelijkheid over waar zij slechts deels, of zijdelings, ironisch of in zwakke termen aandacht aan schenkt, of juist helemaal geen door ze taboe te verklaren, dit alles mee onder ingeving van de omstandigheden van de tijd.

 

Als voor alle tradities geldt dat zij, gewild en ongewild, volledig gekleurd zijn door de natuurlijke en socio-culturele omstandigheden waarbinnen ze zich voor doen, en die voortdurend evolueren, dan geldt dat eveneens voor onze eigen benadering van de werkelijkheid. Elke traditie is hoogst actueel op het moment van haar ontstaan en bloei, maar neigt daarna in zichzelf vast te groeien en tenslotte tot een uiterlijke lege huid te verworden, waaruit de levende slang reeds lang weer weggekropen is.

 

Daarom is het voor de mens een geluk dat er meerdere tradities zijn, zowel in heden als verleden, die kunnen worden vergeleken, en waarvan elementen elkaar kunnen aanvullen tot de ruimst denkbare quasi universele menselijke traditie van fundamentele kennis en kunde.

In dit essay pogen we hiernaar te wijzen door een manier te zoeken voor het verzamelen en lezen van de oude huiden van de Oerslang, om met die resultaten de weg terug, naar de immer voort kruipende levensslang zelf, aan te geven.

 

Bepaalde ideeën kunnen enigszins schokkend overkomen voor sommige gevoelige personen met sterke eigen overtuigingen inzake geloof en ideologie. Impliciet is onze benadering echter een pleidooi voor respect en interesse voor alle culturele tradities van mensen en mensachtigen uit verleden, heden en toekomst, waar dan ook.

 

Cultuur is in dit verband heel algemeen te begrijpen als ‘een collectief patroon van beschouwen, verwerken en reageren op het natuurlijk gegevene’, een hoog verzamelbegrip voor alle vormen van menselijke waarneming, beschouwing en interactie, kortweg: een manier van zien, zijn en doen. Traditie is de transversaal-sequentiële dimensie van het culturele veld,  namelijk de wording en instandhouding of teloorgang daarvan.

 

In de eerste hoofdstukken worden algemene principes uiteengezet die een beschaving en haar tradities duiden. We herkennen er kennistradities, mystieke, mythologische en religieuze. We gaan wat dieper in op mystiek en godsbegrip, omdat deze zo’n belangrijke stempel op menselijke beschavingen drukken. Verder trachten we de daaraan ontsproten verwoording en verbeelding in schema te brengen, om een algemeen kader met de belangrijkste gemeenschappelijke elementen te schetsen van wat mythologen lijkt te bezielen, of op vele plaatsen bezield heeft. Als eindvisie geldt een algemene synthese in de relatie natuur - cultuur, twee onafscheidelijke facetten van het evolutionaire leven.

 

 

___________


1.   Doel van traditie en haar methode

 

Traditie is als het ware cultuur in beweging. Met menselijke cultuur duiden we hier in feite al datgene aan wat vooral door de mens is tot stand gekomen. Dit geldt zowel het materiële vlak als het sociale, politieke, economische bijvoorbeeld, maar ook aspecten als communicatie, taal, media, spiritualiteit of godsdienst, wetenschap en technologie, plus dat wat we doorgaans cultuur noemen in de engere betekenis die vooral naar kunst verwijst. Dus moeten we onder deze allerruimste noemer van cultuur (een collectieve manier van zien, zijn en doen) ook aspecten onderbrengen als defensie, financies, transport en reizen, recht, enzovoort. Het wordt algauw duidelijk dat ieder gebied van menselijk kunnen een aspect is van het begrip cultuur, met andere woorden alles wat er zonder de mens niet zou zijn.

 

Als we onze tijdruimtehorizon afscannen naar wat zoal aan tradities voorhanden is of was, dan blijken we een vangnet uit te werpen naar alle mogelijke menselijke rijkdommen en we vangen daarin niet alleen de grote opvallende wetenschappelijke, filosofische en religieuze tradities van de meest bekende godsdiensten en hun producten, maar ook een massa minder bekende tradities van middelmatige omvang die slechts deels met religie verbonden zijn, en bovendien ook nog een onvoorstelbaar aantal minitradities van inmiddels bekend geraakte of nog steeds onbekende populaties die min of meer op zichzelf bestaan of bestonden.

(meer lezen...)

 

Wat is dus de bedoeling van cultuur en haar voortzetting op generaties onder de vorm van traditie? Het ultieme doel lijkt juist dat te zijn, wat ook het ultieme doel van de natuur zelf lijkt in de vorm van haar evolutie: stabiele, duurzame, alomvattende zelforganisatie.

Concreet zien wij bijvoorbeeld de reflex van een groep om bescherming aan een optimaal aantal verwante individuen te schenken. Mensen en ook dieren organiseren zich in groep om het hoofd te bieden aan pogingen tot uitbreiding van andere groepen mensen en/of dieren, of zelfs aan planten of natuurfenomenen. Zo ontstaan territoria.

(meer lezen...)

 

Het is overigens opvallend hoe deze hoogtechnocratische beschaving, die ver is afgedwaald van het natuurlijke, en zelfs van de originele cultuurkern, vooral zichzelf ophemelt. Waardering voor andere of oudere culturen lijkt ook omgekeerd evenredig met de graad van eigendunk. Werkelijk hoogstaande beschavingen lijken minder met de eigen specifieke verschijningsvorm begaan te zijn, maar eerder met de fundamentele vereiste van het in overeenstemming verkeren van individuele leden en van de groep als geheel met de oude traditie, dat wil zeggen met de optimale organisatievorm, met elkaar en vooral met de ruimste natuur (waaronder ook wetmatigheden die nu vaak als ‘bovennatuurlijk’ worden afgedaan).

Visie en waardebesef

De ‘echte’ (dat wil zeggen duurzame, stabiele omvattende) tradities der mensheid hebben vooral deze bekommernis, dat zij een zo weerstands- en frictieloos mogelijke manier huldigen van omvattend beschouwen, waarderen en hanteren van het natuurlijk gegevene. Zij voorzien op ruime schaal in de nodige stabiliteit en continuïteit van de menselijke organisatievorm, in het belang van de groep en van elk individu dat daartoe behoort. Zij zijn in feite gericht op het voortbestaan van de soort, maar met een zo ruime visie dat ook de natuurlijke omgeving van de soort - die haar voortbestaan moet mogelijk maken en garanderen - mee in die visie wordt betrokken. Omgekeerd wordt elke vorm van individueel of collectief gedrag dat ook maar in enige mate die noodzakelijke bestaansgrond zou aantasten geweerd en desgevallend bestraft.

Indianen dulden bijvoorbeeld niet dat bepaalde stenen, ook al zijn het edelstenen, diep uit de schoot van moeder aarde worden gehaald, want die horen daar thuis zoals micro-organen onder de menselijke huid. En hoe klein ook de invloed ervan mag lijken op die kleine schaal, toch is deze invloed er en zou het inbreuk plegen op dit principe een gevaarlijk antecedent scheppen voor praktijken waar tenslotte geen stoppen meer aan is, zoals blijkt...

 

Men kan vanuit utilitaristisch standpunt redetwisten over de gerechtvaardigde acceptatiegraad van dergelijke houding, maar feit is dat tradities doorgaans een redelijk samenhangend geheel vormen van visies en gedragswijzen die op natuurlijke afstemming gericht zijn en daardoor op eenheid binnen de groep.

 

Deze visies zijn altijd gebaseerd op een onderliggende fundamentele visie op kosmos en natuur, waar mens, dier en plant integraal deel van uitmaken, zij het met elk hun eigen specifieke plaats en taak binnen het geheel. Dit kan dan ook nog eens evolueren, mits bepaalde regels worden gerespecteerd, die enerzijds de afstemming op het geheel niet schaden en anderzijds de ontwikkeling van het geheel zelfs begunstigen.

(meer lezen...)

 

Over de fundamentele visie van traditionele patronen van zien, zijn en doen willen we het in volgende hoofdstukken uitgebreider hebben. Hier zij volstaan met de naakte constatering dat dergelijke visie die we de totaalvisie zullen noemen een essentiële rol speelt in de ondergrond van wat we cultuur noemen. Cultuur is er altijd op gestoeld en refereert er voortdurend aan. Maar ook zit zij traditioneel in de psyche van de leden van de betreffende cultuur ingebouwd, bewust of onbewust, als hun basisovertuiging. (Op die laatste begrip komen we uitgebreid terug in hoofdstuk 6: Manieren van menselijk kennen).

Het gaat als het ware om een complete blauwdruk, waarvan de traditie zich bedient om de cultuur in optimale vorm te houden en door te geven met het oog op duurzaam succes van zowel de groep als het individu dat tot haar domein behoort.

 

 

____________

 

 


2.   Oorsprong en ontstaan van tradities

 

Grote inzichten komen tot stand door zogenaamd grote geesten. Vaak zijn dit eerder kleine groepjes van mensen waarvan er meestal één de leiding heeft, neemt of krijgt, een meester of goeroe, aartsvader of clanmoeder, sjamaan of welke eervolle vermelding men deze ook toekent. Het zijn mensen die in staat blijken in de wereld die zij waarnemen grotere en diepere verbanden te zien dan de doorsnee anderen. Deze vaardigheid is dus uiteraard relatief en binnen iedere gemeenschap of groep is er wat dat betreft een bedekte of uitdrukkelijke hiërarchie aanwijsbaar die in eerste instantie spontaan tot stand komt als gevolg van het samengaan van natuurlijke aanleg en vroege keuzes qua interesseveld in het individuele leven.

Een kritisch moment binnen iedere samenleving is de overdracht van de aanvaarde kennis en kunde, naar degenen die ze nog niet bezitten, en dus vooral naar de volgende generatie.

Denken en doen

De wisselwerking tussen aanleg van nature en aanbod vanwege de cultuur zal toelaten dat zich binnen om het even welk groepje mensen een ontwikkeling voor doet waarbij sommigen zich op de algemene universele waarde van het leven als zodanig richten terwijl anderen zich gaandeweg specialiseren in diverse richtingen van wat men toegepaste kennis kan noemen. Er zijn denkers en doeners. Maar ook bij de denkers heeft men nog eens die verschillende categorieën van louter beschouwend tot actief formulerend en doorgevend inzake kennis. Deze indeling komt in verschillende samenlevingsvormen uitdrukkelijk tot uiting in onderscheiden beroepscategorieën, kasten, clans enzovoort. Er zijn de zogenaamde geestelijken, de vorsers en professoren, de leraren, de specialisten allerhande, en zo meer.

 

(meer lezen...)

Binnen een oorspronkelijke ‘primitieve’ samenleving is het evident dat zich sociale relaties moeten vormen. Daarbij zullen bepaalde individuen worden uitgestoten, of zich vrijwillig van sociale deelname onthouden. Dit zijn dan vaak juist die individuen die in staat zijn tot ruimer inzicht, al dan niet ontwikkeld ten koste van meer praktische vaardigheden. Hun inzichten komen uiteraard niet overeen met de algemeen geldende en dit kan leiden tot vervreemding en botsing. Indien zij echter dit inzicht voor zichzelf ook tot nut kunnen maken, en daardoor voor het eigen materiële bestaan instaan, dan worden ze hetzij een succesfactor binnen de jonge gemeenschap, hetzij een solitair, al dan niet daarbinnen.

(meer lezen...)

 

De namen van grote meesters gaan na lange tijd vaak verloren, maar hun leer blijft soms onafgebroken nawerken en doorklinken. Dat zijn dan tradities. Tradities herbergen hele ketens van opeenvolgende grote meesters als historische mijlpalen. En indien tradities zorgvuldig in stand zijn gehouden, dan ligt hun oorsprong in een ver ‘mythisch verleden’. De tand des tijds heeft het geheugen aangetast voor ‘bijkomstigheden’ als waar en hoe en door wie precies een aanvang werd gemaakt met wat aan de basis ligt van de traditionele totaalvisie in kwestie. Alle aandacht en herinnering daaraan vervaagt bij iedere nieuwe generatie en dan dicht men vaak bovennatuurlijke of buitenwereldse herkomst toe aan de grondleggers, die niemand meer kent. Daar rond ontstaan soms nog eens bijkomstige verklaringen of verhalen die tot het rijk der legenden behoren, met hoogstens nog wat vage aanwijzingen of echo’s van de diepere oorsprong van fundamentele kennis in het algemeen.

(meer lezen...)

 

Zoals elke organische organisatievorm van levende wezens in de natuur moeten blijkbaar ook meer intrinsieke organisatievormen van kennis en cultuur zich op alle denkbare manieren weten te vormen, te handhaven en te beschermen, wanneer ze zich tijdelijk niet kunnen verspreiden. Deze kernen fungeren in de macrogeschiedenis van tijd en ruimte als zaad dat tijdelijk onder de grond verdwijnt en bij geschikte omstandigheden opnieuw gaat kiemen en uitgroeien.

 

Ook deze vaak onbekende cultuurkernen vormen een quasi onzichtbare oorsprong voor nieuwe tradities en het uitspinnen van nieuwe culturele samenlevingen. Die kunnen zich al of niet voeden, of kruisen, met wat er aan bruikbare overblijfselen van voorgaande culturen en beschavingen voorhanden is. Want deze kernen zijn in se zeer beperkt tot het hoogst noodzakelijke, soms slechts wat geschriften en riten, en ook relatief abstract, zodat zij enkel als een soort blauwdruk fungeren voor de verdere uitwerking van een meer volledige organisatievorm van een menselijke samenleving, waarbinnen zij opnieuw een tijd kunnen gedijen. De bloeitijd van een cultuur ligt vaak in haar meest zichtbare en materiële uitdrukkingsvorm. Maar daarbuiten en eraan voorafgaand of erna kunnen kernen van kennis en kunde al geruime tijd in stilte minder opvallend bloeien.

 

____________

 


3.   Traditionele gemeenschappen

 

Kennis, ervaring, cultuur is enkel zinvol indien zij gedragen wordt door levende wezens. Deze hebben van nature de neiging zichzelf en hun omgeving te ordenen en zo ontstaan rond initiële kernen steeds hoger georganiseerde gemeenschappen. De eigen traditie wordt daarin bewaard, bewaakt en doorgegeven met de bedoeling zo goed en zo lang mogelijk individueel en collectief te overleven. Elke autonoom ontstane gemeenschap hanteert daarbij haar eigen stijl en normen en legt geheel eigen accenten.

Kennistradities en religieuze tradities

Er zijn initiële tradities die begaan zijn met het vrijwaren en doorgeven van pure kenniscode, nodig voor de cultuur, zoals DNA nodig is voor de natuur. De belangrijkste, hoogste, cruciale kennis, nodig voor de menselijke samenleving om zich op een zo hoog mogelijk peil te handhaven, waar de massa geen enkele notie van heeft, wordt angstvallig door hen bewaard en overgedragen aan geselecteerde ingewijden. Vaak worden dergelijke tradities over één kam geschoren met religieuze tradities. Maar dit is deels onterecht. Het is namelijk zo dat zij, vanwege hun fundamentele ingesteldheid op alles wat er aan menselijke kennis beschikbaar is, helemaal niets uitsluiten. Maar louter religieuze tradities vormen na deze zuivere kennistradities wel de tweede belangrijkste pool, en staan vaak expliciet en uitgebreider in het zicht van de gewone waarnemer tegenover die oorspronkelijke zuivere tradities. Daardoor heeft men hetzij helemaal geen zicht op de originele kennistradities, of neigt men ertoe beide soorten als varianten van hetzelfde te beschouwen.

Verstand en gevoel, kennis en ervaring

Er zijn nog redenen waarom mensen doorgaans geen onderscheid maken tussen religieuze tradities en zuivere kennistradities. De eerste ligt bij de kennistradities zelf, die zoals aangehaald niets uit hun beschouwingsdomein uitsluiten, en bijgevolg ook de religieuze beschouwing daarin betrekken. Dit kan bij sommigen de indruk wekken dat het religieuze aspect verwisselbaar is met het puur kennisaspect.

(meer lezen...)

 

Toegewijden die zich meer met het gevoelsaspect inlaten, en dit in bijkomende structuren van kennis daaromtrent met aangepaste praktijken organiseren, zullen op hun beurt aantrek van emotioneel gelijkgestemden krijgen. En dat zijn er blijkbaar potentieel altijd meer dan degenen die zich tot de kennis aangetrokken voelen. Zo ontstaan gradaties van steeds ruimere belevenisgroepen. De binnenste kring daarin wil nog vooral proberen de originele zuivere ervaring opnieuw op te roepen of in stand te houden, welke samenging met een hoge graad van inzicht, dat wil zeggen het zien en ervaren van samenhang, in eenheid met het geheel van de werkelijkheid. Maar de wijdere kring daar rond richt zich al heel wat minder op die kennis, en de nog wijdere kring verlangt de ervaring op zich. Deze groepen beoefenen dan gemakkelijk devotionele praktijken zonder zich daar vragen bij te stellen. Zij volstaan met een minimum aan kennis, zonder daar zelfs maar kritisch over te zijn en richten zich vooral op de religieuze praktijk. Dat wil zeggen dat zij binnen hun kunnen al het nodige doen om de gemeenschap te onderhouden en de rituelen zoals voorgeschreven uit te voeren.

(meer lezen...)

 

Beide benaderingswijzen, die van zuiver kennis en die van toewijding, hebben elkaar door de eeuwen heen ook het alleenrecht van een statuut als eerste in de menselijke geschiedenis betwist. We zien deze rivaliteit vandaag de dag nog voortleven in de scheiding van godsdienst en wetenschap. Zij drukt de spanning uit tussen twee grote levenswegen van het mensdom, die van de ratio en die van het gevoel, die de mensen niet alleen onder elkaar maar ook innerlijk verdelen. Wetenschap en kennis zijn ook nu nog vooral betrokken op het rationeel vermogen, godsdienst en toewijding op het gevoelsvermogen. Het eerste wil digitaliseren, het ander wil de analogie nagaan. Het ene is overwegend mannelijk qua eigenschap, het andere eerder vrouwelijk. Het ene meet het IQ en wil kennen, het andere het EQ en wenst ervaring. Het ene wil vooral gelden voor eenzaten of kamergeleerden die zich als hermieten terugtrekken, het andere wil juist met alles naar buiten komen en zich aan zoveel mogelijk mensen meedelen en hen in zijn midden integreren. Er is dus steeds polarisering. En die uit zich zelfs binnen de twee soorten gemeenschappen of tussen gemeenschappen van eenzelfde geaardheid. Godsdienstoorlogen zijn dan ook van alle tijden.

Inzicht en ervaring als gemeenschappelijk doel

(meer lezen...)

Religie is dus een basisgegeven in het streven naar diepgang hetzij van kennis hetzij van ervaring die ermee gepaard gaat. Alleen zijn er een grote reeks gradaties van religie, gaande van de aanvankelijke bekommernis tot reliëren van de mens aan het grote geheel via de fundamentele totaalvisie of totaalervaring, over de enkele grote wereldreligies die in oorsprong een gelijkaardige missie hebben of hadden, tot de kleinere wereldreligies en afsplitsingen daarvan die zich in de loop van de geschiedenis hebben proberen te handhaven met in feite alsmaar minder materiaal en kennis van hun vorige generaties, en met een omgekeerd evenredig daaraan grotere ferventie en helaas ook vaak destructieve verblinding.

 

Willen we dus pogen een zo volledig mogelijk beeld van de totaalvisie op te bouwen, door gebruik te maken van wat er aan materiaal en kennis is overgeleverd, dan moeten we ons in de eerste plaats tot die grote tradities wenden, om het algemeen kader op te stellen en zoveel mogelijk reeds in te vullen, en daarna tot de kleinere of meer recente tradities, om te zien of daar bijkomend materiaal en kennis voorhanden is om het geheel vollediger te structuren en verder aan te vullen.

 

Intussen mogen we evenmin nalaten ook die kennisgemeenschappen te bestuderen die behoren of behoorden tot de originele volken die met enig succes wisten te overleven. Het doet er dan niet zozeer toe of het om godsdienstige of andere riten en gewoonten gaat. Het overleven als individu en groep of soort als zodanig is immers hoofdcriterium voor succes in de evolutie. Wat ons dan kan interesseren is: hoe deden zij dat, en in hoeverre zijn er overeenkomsten in hun fundamentele visie en praktijken. Want tenslotte zoeken we de universele waarden, of die nu in een religieus kleed zitten of wat ook.

Kennis of geloof, hoofdzaak en bijzaak

(meer lezen...)

Veel locale culturele gebruiken en richtlijnen zijn terug te voeren tot getransformeerde en vaak ook nog eens afgeleide basisschema’s van wat we meer fundamentele visies zouden noemen. Ze komen bijvoorbeeld op zichzelf van de ene clan op de andere vaak omgekeerd voor, misschien gewoon als extra middel tot onderscheid en classificatie. Het is namelijk zo dat de sociale orde gebaseerd is op onderliggende categorieën die bij primitieve stammen enkel aan de hand van concrete begrippen (totems) kunnen benoemd worden. Als zo’n totem een bepaalde plant of vrucht is bijvoorbeeld, dan zal de clan die daaronder geklasseerd is een bepaald gedrag ten opzichte van de echte plant of vrucht in kwestie onderhouden om zich daarmee blijvend te identificeren. Op die manier wordt het schema van sociale structuur levend gehouden. Maar wat opvalt is dat dergelijk gedrag vaak tot de grootst mogelijke excessen van bijgeloof heeft geleid. Ter wille van de sociale orde en het onderscheid heeft men zich zodanig op vastgelegde gedragsdifferentiatie toegelegd, dat zowat de hele levenswijze in een symbolische rite is omgevormd. Deze kan functioneel wel succesvol blijken voor het overleven van een stam of clan en voor het garanderen van gezond nageslacht bij naburige gemeenschappen, maar voor het terugvinden van een fundamentele totaalvisie zijn al deze schakeringen hoogst misleidend, gesteld dat die überhaupt nog voorhanden zou zijn bij dergelijke gemeenschappen.

Toch kunnen we hun belang niet helemaal ontkennen, en geven zij soms blijk van zeer originele visies op het bestaan en op de samenhang der dingen, die bruikbaar zijn om onze eigen fundamentele visie op bepaalde punten mee te toetsen.

(meer lezen...)

 

Het erfgoed aan fundamentele totaalvisies ligt bij uitstek verholen in de overgeleverde mythologieën van grote en kleinere volkeren. Wie abstractie maakt van de verschillen ziet vaak frappante overeenkomsten. Het is hier de bedoeling dat we ons vooral daarop toeleggen om het verband te vinden tussen deze tradities en de totaalvisie van de mens.

We bestuderen dus geen specifieke mythologieën naar inhoud en betekenis, maar wel het fenomeen als zodanig. We willen enkel de betekenis op zich ervan in de ruimere context plaatsen van wat we het universele denken van de mens hebben genoemd.

 

Aanvankelijk wilden de wijzen vaak niet dat hun concepten werden afgebeeld, omdat daarmee een beperking ontstond. Maar in tijden van verval werd de fundamentele totaalvisie die door een elite tot ontstaan was gekomen omgecodeerd in plastische voorstellingen en verhalen, waardoor zij gemakkelijker overdraagbaar werd in ruimte en tijd zonder dat de inherente samenhang verloren zou gaan. Dit werd als het ware de draagbare verpakking van de inherente totaalvisie van die cultuur. Deze plastische voorstellingen vinden wij dan ook terug als overblijfselen van diverse culturen. Hun religieuze verwevenheid is onvermijdelijk, aangezien religie het oudste grootschalig organisatiestelsel van menselijke tradities van kennis vormde, en vooral van de ervaring op basis van wat er aan fundamentele universele kennis al voorhanden was.

 

Natuurlijk is niet alles altijd wat het lijkt, en zo zijn er ook mythologieën die niet rechtstreeks aansluiten op een historische oerkern van een zuivere kennistraditie. Het zijn dan mogelijk onrechtstreekse reflecties van iets dergelijks uit een aangrenzende cultuur, en dan zeggen ze eventueel daar ook iets over. Of het kunnen verhalen zijn die een eigen leven zijn gaan leiden, en die mogelijk eerder naar historische gebeurtenissen verwijzen, hetzij menselijke hetzij natuurlijke. Of het is een mengeling van dat allemaal. We komen hierop terug in het hoofdstuk over mythologie, waar ook een model en enkele middelen tot onderscheid worden voorgesteld.

 

____________


4.   Informatiedragers

 

De gang van zaken zorgt ervoor dat het op elk moment zeer moeilijk blijft precies te bepalen waar nu in feite het echte begin ligt van deze of gene cultuur of traditie. Er is al te veel onderlinge verwevenheid, en bovendien lijkt de ontwikkeling in grote cyclussen te verlopen. Maar op ieder moment zijn er de meer zichtbare en tastbare verwijzingen, de beelden en begrippen neergelegd op alles wat maar enigszins als duurzame informatiedrager kan dienen. Bij voorkeur dus steen, maar niet alleen dat, zullen we zien.

Samenhang van informatiedragers

Lang na de teloorgang van de uiterlijke vormen van een beschaving blijven stenen als laatste getuigen over, wat ook de bedoeling was. Maar daardoor ontstaat bij het nageslacht de verkeerde indruk dat er geen andere informatiedragers zouden zijn gebruikt. Het is geweten dat papier of allerhande vellen of blaren zeer geschikt kunnen zijn voor dagelijks gebruik. Ook kleitabletten zijn voorbeelden van snellere informatiedragers, die bovendien nog zeer lange tijd onaangeroerd blijven. Voor wie de cultuurgeschiedenis van de mensheid wil bestuderen is het dus van belang te beseffen dat er altijd meer is of was dan men werkelijk te zien krijgt. Er waren om te beginnen die meer vergankelijke informatiedragers. Maar wat nog belangrijker is: al deze informatiedragers hebben of hadden zichtbare of onzichtbare verbanden met elkaar. Dat wat meest essentieel was voor de dragers van een cultuur hebben zij in langdurige informatiedragers gecodeerd, en bijna al het andere verwijst daarnaar terug. Maar dat ‘al het andere’ is in onze tijd vaak verdwenen, verloren en eindeloos verspreid. En dan zien wij misschien enkel nog wat  opgerichte megalieten of reusachtige beelden, piramiden en dergelijke. Het zijn letterlijk de stille getuigen van een samenleving die in werkelijkheid ooit groots was, maar waar de essentie ons van ontgaat omdat de handleiding is verloren geraakt.

Levende informatiedragers

Toch leeft de wezenlijke kennis van de mensheid voort in al haar uitingen van cultuur, dus niet alleen in de dode informatiedragers, al dan niet verloren. Er zijn namelijk ook heel wat clues in de levende cultuur, die van generatie op generatie is overgedragen. Vaak staan we versteld van de diepere wijsheid die verscholen ligt in volkse gezegden of in de overgeleverde verhalen, mythen, sagen, legenden, liederen, en zelfs sprookjes.

Veel daarvan is dan op zijn beurt terug te vinden in de literatuur in haar ruimste vorm (dat wil zeggen inclusief bijvoorbeeld graffiti en stripverhalen om maar wat te noemen),

en niet te vergeten: in de taal zelf. Ieder woord heeft zijn geschiedenis, is ontstaan, gevormd en in omloop gekomen, heeft de botsing met andere woorden doorstaan of is ermee versmolten, net zoals iedere natuurlijke organisatiestructuur in de vorm van levende organismen dat deed en doet in de zogenaamde strijd om het bestaan.

 

(meer lezen...)

Maar er zijn ook nog ‘grotere’ informatiedragers in de vorm van bijvoorbeeld stads- of landschapsdesign. Vorm en inrichting van steden en nederzettingen vertelt archeologen heel wat over de ontwikkelingsgraad en levensstijl van hun vroegere bewoners. Er is echter meestal nog maar weinig rechtstreeks verband te vinden met de kern van de traditie waarin of waaruit deze zijn ontstaan. Dit verband moet zoals we al zeiden immers gezocht worden in de eerder vergankelijke informatiedragers, die inmiddels zijn verdwenen. Afgaand op de overgebleven meest duurzame informatiedragers komen we hoogstens tot conclusies als: ‘dit moet een hoog bloeiende cultuur zijn geweest’ en ‘deze mensen moeten tot heel wat in staat zijn geweest’. Maar verder is vaak maar weinig geweten over de verschillende sectoren van hun beschavingsvorm. Hun geneeskundige kennis en praktijk, hun riten en gewoonten, en vooral de grotere samenhang met en inhoud van de kern van hun cultuur, zijn nog moeilijk na te trekken. En dit is des te meer zo, indien ook die kern of sporen daarvan totaal onvindbaar zijn geworden.

Hoogtechnische informatiedragers

Een speciale soort informatiedragers kennen we in onze moderne technische tijd in de vorm van allerlei trommels, schijven en schijfjes waarop beeld, klank, tekst en andere gecodeerde informatie kan bewaard worden. Maar wegens de mogelijke duurzaamheid van dergelijke schijfjes zelf (een chemisch gebrande CD zou al na tien jaar zijn informatie verliezen), is er weinig zekerheid dat deze over grote tijdspannen bruikbaar blijven, ook al gezien de delicate technische apparatuur die complementair nodig blijft om ze te lezen en te ontcijferen. De informatie zou namelijk samen met die technische kennis en knowhow gemakkelijk kunnen verloren gaan, zodra de specifieke technologische traditie waar hun gebruik op steunt ook maar even stopt.

Bovendien heeft juist deze moderne informatietechnologie een ware explosie mogelijk gemaakt. Dit leidt ertoe dat men door de bomen het bos niet meer ziet, en dat het moeilijk wordt het belangrijke van het bijkomstige te onderscheiden. De wezenlijk belangrijke kennis ligt als het ware volledig bedolven onder het afval van wat we consumptie-informatie zouden kunnen noemen. De kans dat over enkele millennia precies de essentiële kennis wordt teruggevonden, die ook onze beschaving kenmerkt, is dus relatief klein, zelfs indien de technologie om ze te lezen nog voor handen zou zijn.

 

Steen blijkt op aarde daarom altijd weer de meest veilige en duurzame informatiedrager. Dat hadden grote geesten destijds al goed begrepen. Er bestaat nog steeds de uitdrukking ‘cast in stone’ , in steen gekerfd, voor dingen die werkelijk belangrijk zijn om te weten en te onthouden.

 

Oud-Assyrisch reliëf van de levensboom in steen

 

Een interessant gegeven in dit verband is dat kleitabletten met spijkerschrift zoals die afkomstig uit de paleizen van Mari of Megiddo of Ebla in het Midden-Oosten, daterend uit de Bronstijd, perfect bewaard en leesbaar zijn gebleven ondanks zelfs een paleisbrand. De houten tabletten die ertussen zaten gingen verloren, maar de kleitabletten werden alleen maar harder gebakken. Ze zijn nog steeds in prachtige conditie en het kleine spijkerschrift is nog heel goed leesbaar.

 

____________

 


5.   Taal en symboliek

 

We zagen dat taal kan beschouwd worden als de tweede informatiedrager na de menselijke geest zelf. Het is inderdaad zo dat bepaalde concepten die in de geest worden opgevat als aanduiding van objecten of relatiepatronen bovendien nog eens kunnen worden vervat in of geassocieerd met specifieke klankcombinaties.

 

Het uiten en opvangen van die klankcombinaties is dan een middel tot communicatie.

De samenstelling en indeling van dergelijke klankcombinaties beantwoordt aan een systematiek, die grotendeels een afspiegeling is van de systematiek die zich binnen de menselijke geest voor doet als inwendige reflectie van zijn relatie tot de omwereld.

Als veruiterlijkt signaal kan deze systematiek dus zelf worden bestudeerd en ontleed om inzicht te krijgen in dat inwendig proces van het diepe denken.

 

Wat is taal

(meer lezen...)

De taal wordt ontwikkeld met de ontwikkeling van de wezens zelf. Hoge primaten hebben al een vrij uitgebreid taalgebruik, door middel van klankcombinaties en gebaren, (maar eventueel ook geuren en feromonen). De fysionomie blijft alleszins belangrijk. Zelfs bij de mens is het nog altijd betekenisvol wanneer iemand bloost dan wel verbleekt, ook al is taal bij ons ten zeerste tot woordcodes geabstraheerd geraakt.

Toch was dit niet noodzakelijk altijd zo. Tot op zekere hoogte gebruiken en gebruikten menselijke samenlevingsvormen symbolen, al dan niet als letterlijke weergaven van objecten of gebeurtenissen (objecten in beweging), die binnen hun gebruikscontext wel tot verder abstraheren aanspoorden. De ontwikkeling van de hiëroglyfentaal van onder andere de oude Egyptenaren, van pictogrammen naar fonogrammen, is daar een illustratie van.

 

Beperking en relativiteit van taal

Taal heeft haar beperkingen. Wat we heel vaak vaststellen is dat de geestelijke of intellectuele inzichten van de al dan niet geheime elite sneller ontwikkelen dan het taalvehikel waarmee ze die naar buiten kunnen brengen. Met andere woorden er zijn dan een aantal ruimere en diepere inzichten, waarvoor (nog) geen parallelle uitdrukkingen zijn geformuleerd. Grote denkers, zoals bijvoorbeeld Albert Einstein, zijn bijgevolg genoodzaakt hetzij eigen neologismen te maken (bijv. ‘ruimtetijd’) hetzij te zoeken naar de best mogelijke analogie binnen het bestaand taalkader. Dit laatste geeft hen tenminste de zekerheid dat het woord of concept door de geadresseerde gekend zal zijn, en dat deze bijgevolg slechts een kleine mentale sprong moet maken naar de nieuwe, vaak figuurlijke, betekenis ervan binnen de context van het nieuwe inzicht dat aan hem wordt meegedeeld. In hoeverre deze laatste sprong ook altijd lukt, en of het niet vaak een salto mortale is, laten we hier even in het midden. Waar het om gaat is dat taal heel vaak een te beperkte informatiedrager blijkt voor begrippen en inzichten van ruimere en diepere samenhang, en dat bijgevolg vaak kunstgrepen nodig zijn voor wie ze toch via taal wil overbrengen. (Om die reden wenden sommige kunstenaars zich tot uitsluitend muziek, schilderkunst, dans enz.)

 

We krijgen dan een situatie waar de geroutineerde taal, die zeer vaak functioneel en voor hoofdzakelijk praktische doeleinden voort is ontwikkeld, in feite buiten het bereik raakte van diegenen die aan haar oorsprong lagen, of die in latere tijd tenminste vergelijkbare capaciteiten daartoe aan de dag leggen. Dit heeft het dubbele nadeel voor hen, dat enerzijds het taalgebruik zelf niet meer aan de nodige vereisten tot diepere samenhang beantwoordt, en anderzijds geen elementen bevat waarmee een volledige of nieuw ontdekte diepere samenhang kan worden overgedragen. De verlichte geest staat als het ware voor een onoverbrugbare kloof, zodra hij zijn inzicht wil verder doorgeven. Hij staat dan voor de verscheurende keuze om ofwel te pogen zijn inzichten en ervaringen, die op zich vaak het niveau van de taalkennis en zelfs dat van het hele intellect transcenderen, toch in spreektaal te gieten, met het gevaar dat niet alles wordt weergegeven, en dat hetgeen wel aldus wordt weergegeven geheel verwrongen is, ofwel alleen te blijven zitten met dat inzicht en nadien misschien ook met de twijfel erover, omdat het nooit getoetst kon worden. Dit laatste is iets wat dikwijls fatale invloed kan uitoefenen op een menselijke geest die vereenzaamt en met zichzelf in kortsluiting komt. De pioniers van het diepe menselijke denken staan dus voor die keuze, en kiezen dan vaak om bijeen te komen om alsnog te pogen hun ideeën weer te geven, maar dan door middel van een zorgvuldig gekozen symboliek.

 

 

Symboliek

Text Box: De Keltische god Cernunnos, de gehoornde,  houdt het oneindigheidsymbool en de Oerslang ter hand
Symboliek is een overwegend bestanddeel van alle culturen en beschavingen, ook de onze. Veel van wat utilitair en functioneel lijkt is te herleiden tot louter symboliek en ritueel. Bepaalde gedragswijzen lijken voor de ene cultuur absoluut noodzakelijk, terwijl ze door de bril van een andere bekeken tot puur symbolisch ritueel worden, en overbodig lijken. Dit geldt in beide richtingen. Kijkend naar onze hedendaagse beschaving is heel wat van bijvoorbeeld de bouwstijl louter symbolisch, ook al zijn het rationele rechte lijnen. Men drukt ermee uit zich tot een zekere conformiteit te bekennen of juist daar los van te willen staan. Het aantal voorbeelden is legio, tot in de verkeersregels toe. We noemen het vaak ook ‘principes’. Veel van wat wij doen is puur symbolisch of behoort tot de taboesfeer, het ‘done’ en ‘not-done’. Ook de op het eerste zicht rationele kledij, zoals van openbare gezagsdragers, verraadt een hele code aan betekenissen, de dagelijkse kleur van de stropdas van de eerste minister of president incluis, om van de stropdas zelf als vlagfunctie nog maar te zwijgen. Verder is het dan ook nog zo dat de symboliek van de ene groep die van de ander uitsluit. De skinhead zal bewust géén stropdas willen dragen, de arbeider zal bewust een pet opzetten en geen hoed, daarmee aangevend tot welke groep hij zich uitdrukkelijk wil bekennen. Mannen dragen doorgaans geen vrouwenkleren en andersom. Zo werkt symboliek in alle richtingen onderscheidend en ordenend.

 

(meer lezen...)

Voor het diepere denken rond de wezenskern van het bestaan der dingen, hun wording en teloorgang, was functionele taal algauw ontoereikend en werd beroep gedaan op een hele mythologie aan uitdrukkingsvormen. Dit is duidelijk symboliek, beeldtaal en beeldverhaal. En het betekent dat dit niet letterlijk kan of mag genomen worden. Maar dat laatste betekent dan ook weer niet dat er bijgevolg niets is dat erdoor wordt aangeduid. Want integendeel was dat nu juist de bedoeling van de mythologie: het onduidbare duiden.

 

De namen en beelden van godheden zijn als stickers op potjes met keien. Men heeft een aantal kennisgegevens als keitjes bijeengebracht, omdat men ziet dat ze bijeen lijken te horen, ze vormen een constante, waar men nog geen naam voor heeft. Dat begrip is zich pas aan het vormen op dat moment, en men wil het alvast een plaats geven. Met de voorlopige sticker wordt een plaats in het geheel gereserveerd. Men gebruikt vaak totems als sticker, bekende vormen: dierenfiguren, mensenfiguren met dierenkoppen, of samengestelde figuren uit elementen van de bekende omgeving. Met het bekende tracht men het onbekende vorm te geven. Dit wordt voor wie het wil en kan zien heel aanschouwelijk geïllustreerd in de iconografie van het Oude Egypte, waar men op het eerste zicht erg vreemd samengestelde figuren aan de wanden ziet als teken voor diepere werkelijkheden.

(meer lezen...)

 

We komen hierop uitgebreid terug in aparte hoofdstukken over mystiek en mythologie. Maar het zij alvast vermeld dat men in deze studie een scherp onderscheid moet maken tussen de kennisfunctie van symbolen zoals hier aangegeven en de verering van de godheden als religieuze beleving. Gezien vanuit de kennispositie heeft de hele waaier van geplogenheden waarmee symboolverering wordt omgeven de functie ze in stand te houden voor het nageslacht. Natuurlijk heeft deze hoofdfunctie van cultussen nog een aantal bijkomende dimensies, waar we eveneens zullen op ingaan.

 

____________

 

 

 


6.   Manieren van menselijk kennen

 

Als mens onderscheiden wij ons graag van de rest van onze omgeving en zelfs van de natuur als dusdanig. Dat is deels een gevolg van de manier waarop we mentaal de omgeving tegemoet treden, namelijk door ze in te delen en te klasseren. We letten vaak meer op het onderscheid dan op de overeenkomsten. Logisch, indien we alleen op de overeenkomsten zouden letten, dan was er in se helemaal geen onderscheid te zien. We zouden de wereld dan tegemoet treden zoals een zuigeling doet zonder onderscheid te maken en zonder vooringenomenheid. Maar het omgekeerde geldt ook. Enkel verschillen zien verdeelt en maakt ongelukkig.

Fundamenteel is alles één en hetzelfde: zijn. Tegelijk zijn er oneindig veel manieren van zijn, en daar vormen wij er als individuele mens of als soort één van.

Het onderscheid

Onderscheid is de eerste kennisact, maar de laatste eeuwen heeft met name onze westerse manier van beschouwen zich al te zeer toegespitst op de verschillen. Met als gevolg dat de dag van vandaag de meeste mensen inwendig verscheurd en ongemakkelijk rond lopen temidden een massa andere mensen, objecten en vormen waarvan ze niet kunnen inzien wat die allemaal met elkaar te maken hebben. Bij gebrek aan eenheidsvisie en vooral eenheidsbeleving gaat men trachten allerlei losse doelen en dingen na te jagen en te verzamelen. Alsof men hoopt die later allemaal tot de nagestreefde eenheid te kunnen samenkleven.

 

Mensen zijn maar gelukkig als ze zich met de wereld, de anderen, de dingen, kunnen verenigen. In de mate dat we daar niet in slagen zijn we fundamenteel ongelukkig. We proberen ons in het beste geval te vereenzelvigen met grotere gehelen, met de club, de groep, de natie, en kunnen met deze ersatzeenheid het probleem een hele tijd verdoezelen. Maar diep in de mens blijft de hunkering knagen naar totale vereniging zonder tussenschotten. Al de rijkdommen en relaties die we verzamelen vormen even zovele tussenschotten binnen de eenheid van de eigen geest.

 

De paradox is dat we daarzonder een amorf medium zijn, niet in staat iets te herkennen, terwijl die schotten van hun kant zelf de ultieme eenheidsbeleving juist verhinderen zolang ze onze volle aandacht hebben.

(meer lezen...)

 

Er is in eerste instantie een intuïtief kennen of herkennen en reflexmatig reageren. Naarmate meer patronen en daaraan gekoppelde patronen als geheugen worden vastgelegd, is meer herinnering mogelijk. Inwendig ontwikkelt zich daarmee de verbeelding.

Deze laat toe om meerdere interactiepatronen met de wereld te ‘zien’ en daadwerkelijk uit te proberen. Dat levert opnieuw een selectie aan patronen die haalbaar en herhaalbaar zijn.

Geleidelijk ontstaan er ook relatiepatronen tussen de vastgelegde patronen van herkenning en die van interactie en tussen beide. Dat vormt de intelligentie die wordt gestructureerd als het patroon van het intellect. Deels is dat ook de structuur die de persoon bepaalt.

Bewustwording

(meer lezen...)

Bij de aanleg van kennispatronen of structuren van de persoonlijkheid treedt telkens een subjectieve ervaring van een zekere bewustzijnsverruiming op. Deze is in verhouding tot de omvang en het impact van deze nieuwe relatie binnen het geheel. We zagen al eerder hoe Archimedes in extase uit het bad sprong en euforisch ging rondlopen nadat hij zijn wet over opwaartse druk had ‘gezien’. Hij was bewust tot een bepaald diep inzicht gekomen en dat gaf tegelijk die ‘kick’.

We kennen allemaal de aha-erlebnis. Het gevoel van opluchting en voldoening dat samengaat met elk nieuw inzicht. Sommigen beweren zelfs dat het omwille daarvan is dat we willen dingen leren en doen, er is een zeker beloningscentrum aan te wijzen in de hersenen, dat geactiveerd wordt, wanneer we succes in iets hebben. Natuurlijk kan dit intussen wel zo zijn, maar de vraag van de kip en het ei blijft: wat was er eerst? Welke ook haar mechanische verklaring zij, deze ervaring blijkt richtingaangevend.

Kennis en ervaring

We stellen een sterke correlatie vast tussen de aanleg van nieuwe kennisstructuren en de ervaring van min of meer intense gevoelens. Die kunnen overigens ook negatief zijn, wanneer het gaat om kennisname van verlies of mislukking. Maar zolang de kennisuitbreiding positief geïntegreerd kan verlopen, dat wil zeggen zonder innerlijke conflicten te veroorzaken, maar deze eerder oplossend, kan men stellen dat dit een zeer aangename ervaring met zich brengt.

Het inpassen van ieder puzzelstukje nieuwe kennis gaat met deze ervaring gepaard zodra men tot inzicht, tot begrip komt, zij het niet altijd in dezelfde mate, en ook niet altijd even bewust in de aandacht van het moment. Naarmate het nieuwe stukje kennis leidt tot integratie van een groter geheel van kennis binnen de persoonsstructuur en tot ruimer inzicht, is de bewuste ervaring sterker. In de mate dat het om positieve, constructieve kennis gaat, of de belofte daartoe, is de ervaring ook positiever.

Het omgekeerde geldt eveneens. Indien een stukje kennisverwerving een conflict oproept, veroorzaakt of versterkt, dan gaat dit gepaard met de ervaring van psychische spanning, pijn of verdriet. Ook deze ervaring is sterker en ruimer naarmate het een groter kennisgeheel binnen de persoonsstructuur raakt.

Dit werkt richtingaangevend voor het proces van kennisverwerving.

Basisovertuiging en zelfstandig denken

Het integratieproces, het structureren van kennis, loopt ook door zonder speciale prikkels van buitenaf. Getuige bijvoorbeeld het dromen, op de korte termijn. Maar er zijn ook voor de langere termijn voldoende inwendige impulsen voor de evoluerende mens om zich te ontwikkelen. Het al dan niet bewust denkproces gaat voort met uitzuiveren en hercombineren van kenniselementen en met het ontwikkelen van nieuwe als gevolg van nieuw ontdekte relaties op basis van geheugen en intelligentie. Zo kon Einstein zijn ophefmakende theorieën formuleren en kon Mozart zijn Requiem schrijven. 

Dit proces van zelfstandig denken wordt slechts deels gestuurd vanuit de omgeving en in zekere mate daardoor dus ook geremd of onderdrukt. Bewust of onbewust, snel of langzaam gaat het structureren van kennis steeds voort binnen de persoonsstructuur.

(meer lezen...)

Groeisprongen in de basisovertuiging

Het ziet er naar uit dat het in wezen altijd om die basisovertuiging te doen is, met name het in stand houden daarvan. De basisovertuiging kan men beschouwen als een kennisnetwerk dat de hele persoon bijeenhoudt en ondersteunt als een ‘operating system’.

In de gevestigde persoonsstructuur verdraagt men al nauwelijks interne kortsluitingen van zekere omvang. Maar indien deze zich voor doen ter hoogte van de basisovertuiging, dan lokken zij hevige reacties uit, eventueel gevolgd door een crisis.

(meer lezen...)

 

In het volgende hoofdstuk doen we de mystieke ervaring uit de doeken, maar in het kader van wat we nu hebben gezien, kan men gerust stellen dat de mystieke ervaring een ultieme crisis betekent. Zij situeert zich op het niveau van de allerdiepste basisovertuiging als hetzij een plotse verruiming daarvan, hetzij een complete negatie of doorbraak.

(meer lezen...)

____________

 

 

 

 


7.   Mystiek

Waar komt al onze kennis en wijsheid vandaan? Men kan zeggen: van onze wetenschap. Maar waar haalden we dan onze wetenschap? Zij is ongetwijfeld het resultaat van menselijk denken en zoeken, en uitproberen van nieuwe oplossingen voor steeds nieuwe problemen, na talloze eeuwen en eonen van vallen en opstaan. Wij zijn dwergen op de schouders van reuzen, wordt wel eens gezegd. En zo is het ook. Alleen zijn die reuzen zelf ook ooit dwergen geweest, en zijn wij bestemd tot reuzen.

Het universele denken van de mensen

Menselijke kennis en wijsheid is eerst individueel en wordt daarna gemeengoed.

Zoals dat met alle bezigheden gaat, is denken iets wat sommigen beter afgaat dan anderen. Er zijn in een groep altijd al mensen geweest die hierin het voortouw namen, zoals anderen het voortouw nemen in andere zaken. Denken komt natuurlijk wel te pas bij alle soorten activiteiten, maar denken op zich, het louter beschouwen en zich realiseren van de werkelijkheid, verbanden zien zonder daar onmiddellijk praktische conclusies aan te koppelen, dat is slechts sommigen gegeven blijkbaar. Niet dat anderen het misschien niet zouden kunnen, maar hun motivatie ligt mogelijk elders, en de omstandigheden waarin ze verkeren nodigen er minder toe uit of laten het zelfs nauwelijks toe.

Er zijn in iedere mensengemeenschap altijd individuen geweest, die zich uit die gemeenschap terugtrokken, hetzij letterlijk door alleen en op afstand te gaan wonen, hetzij figuurlijk door zich in zichzelf terug te trekken voor overpeinzing.

Met hoeveel zij waren of zijn, en of dat telkens succes had, is niet geweten. Velen verdwijnen voor altijd uit het zicht van de samenleving. Sommigen dwalen helemaal af en gaan reddeloos verloren. Maar er is zeker binnen de menselijke soort steeds weer een bepaald percentage dat ‘tot inkeer komt’, zich los maakt van de opgelegde banden van de routine van familie en maatschappij. Vaak hebben zij hiervoor een voorbestemming en zijn van jongs af aan net iets meer op zichzelf betrokken, hoog gevoelig, onafhankelijker in hun denken en doen, en vaker alleen. Ze zijn minder geneigd alles zo maar voor waar aan te nemen wat opvoeding en onderwijs hen aanreiken, en gaan zelf op zoek naar antwoorden, aanvulling en bevestiging.

Natuurlijk verschilt de graad waarin dit gebeurt van individu tot individu, en is ook het domein waarop men zich richt vaak verschillend, zowel van aard als van omvang en qua diepgang. Maar evolutionair zijn hersenen van mensen hetzelfde en werken er in de geest dezelfde wetmatigheden. Op de lange termijn, en op grote schaal gezien, komen dan ook dezelfde ontwikkelingen voor in gemeenschappen, en stuit men daarom op dezelfde universele ideeën.

Verruimde visie en diepe mystieke ervaring

Een uiterst klein aantal op zichzelf teruggetrokken denkers en zoekers, bereikt een zeer ruime en diepe visie. Ruim in de zin van betrokken op alles, zonder specifiek onderscheid, en diep in de zin van doordringend tot de oorsprong, de oeroorzaak van al wat is. Dit inzicht kan geleidelijk of vrij plots komen en gaat dan gepaard met verschillende types ervaringen die de meerderheid van de mensen vreemd zijn, of toch in die mate of concentratiegraad waarin ze zich bij deze individuen voor doen.

We hebben het hier over de zogenaamde ‘mystieke’ ervaringen.

Meestal worden deze ervaringen geassocieerd met en gesitueerd binnen bepaalde religieuze patronen. Dit is op zich niet fout. Maar het wekt de indruk dat ze enkel binnen dat kader kunnen voor komen. Niets is echter minder waar. Mystieke ervaringen zijn op de eerste plaats des mensen, ze overvallen ook atheïsten en gewone mensen zonder veel opvoeding, al zullen deze laatsten ze minder goed kunnen duiden. Ze komen natuurlijk evengoed voor bij mensen met een doorgedreven gedegen opvoeding, zoals bijvoorbeeld Blaise Pascal bewees, maar het lijkt erop dat dit geen voorwaarde is, in tegendeel zelfs vaak eerder een belemmering.

(meer lezen...)

Weergave en maatschappelijke shock

Men zoekt middelen om die ervaring te beschrijven, en dan is het normaal dat men daartoe de meest vertrouwde en voor de hand liggende termen zal gaan gebruiken. Soms valt het de omgeving niet op dat deze termen dan in een licht gewijzigde betekenis worden gebruikt of met elkaar verbonden, en lijken zij alleen de bevestiging van wat in een bepaalde leer al werd overgedragen, en bijgevolg van de juistheid van die leer zelf. In andere gevallen zal er wel een verschil opvallen voor sommigen, en dan kan het zijn dat ofwel de leer daardoor wordt verrijkt of gecorrigeerd, ofwel dat het subject wordt beticht van bedrog, ketterij of waanzin en uitgesloten van de officiële leer. (Het aantal classificaties onder de rubriek ‘duivel’ met betrekking tot mystieke ervaringen binnen of aan de rand van de christelijke leer is legio.) Natuurlijk zijn ook niet alle ervaringen of vermeende ervaringen authentieke mystieke ervaringen en is altijd wel een zekere voorzichtigheid geboden. Maar andersom is het vaak zo dat echte mystieke ervaringen vaak tot conflict leiden met een gevestigde orde, dat haar vertegenwoordigers het niet zien zitten om de leer te gaan omgooien, en dat ze dan om hun macht te behouden er liever voor kiezen de klokkenluider zelf te stigmatiseren tot ‘ketter’, te verbannen of zelfs te laten ombrengen in bepaalde gevallen, eventueel met heel zijn omgeving van adepten. Dit gebeurt vaak ook op subtielere manieren met inzet van alle tot dan ontwikkelde culturele middelen van de samenleving, inclusief de ‘aanvaarde’ wetenschap, die even goed als inquisitie kan functioneren en iemand ‘in de ban’ doen.

Mystieke ervaringen kunnen al dan niet religieus van oorsprong en aard zijn, zij kunnen al dan niet tot sociale onrust leiden of juist tot de heropbloei van een hele gemeenschap, zoals historisch vaak is vastgesteld.

Maar wat zijn mystieke ervaringen?

(meer lezen...)

Bewustwording en zelfrealisatie

Een aspect van de mystieke ervaring is het structureringsproces van kenniselementen dat min of meer intens gaat verlopen. Er worden plotseling nieuwe verbanden gezien en gelegd binnen de basislaag van de persoonsstructuur. De persoon komt daardoor tot een min of meer ruim en diep inzicht in de realiteit, waar die zelf ook toe behoort. Volledig tot zichzelf komen, zichzelf realiseren, zelfbewustzijn, is een sterke ervaring met grote diepgang. Het wezen van die ervaring is dan ook bewustwording, of wat men ook wel noemt bewustzijnsverruiming. Al heeft deze laatste term een wat kwalijke connotatie, omdat het fenomeen zich ook voor doet in associatie met het gebruik van stoffen die de werking van het zenuwstelsel beïnvloeden. Maar in wezen is het ruimer worden van het bewustzijn het kenmerk van kennistoename en bij uitstek van de mystieke ervaring die de kenniservaring van het geheel aangaat.

Dit betekent dan meteen dat er verschillende gradaties van dergelijke ervaring mogelijk zijn. En dat brengt ons ertoe te stellen dat de mystieke ervaring op zich in aanleg een zeer normale ervaring moet zijn, eigen aan de mens. Zij komt in haar minimale gradatie bij iedereen voor, wanneer bijvoorbeeld enkele stukjes van een puzzel in mekaar vallen en men min of meer plots een zogenaamde aha-erlebnis heeft. Het is in se een aangename gewaarwording. In geval van innerlijk conflict kan er echter tegelijk sprake zijn van ervaringen van pijn en angst, tot paniek toe. Sterkte en duur van de ervaring hangen af van aantal en omvang van de stukjes kennispuzzel die allemaal gelijk in elkaar vallen.  En ook hangt het af van de stukjes zelf die erin betrokken zijn. Kennis van een ver afgeleid deelproces van de werkelijkheid schenkt al het genoegen van een min of meer sterke aha-erlebnis (denk aan Archimedes die plots het bad uit springt en de straat op rent bij het ontdekken van zijn natuurwet), maar naarmate het om meer omvattende, diepgaande en universele kenniselementen gaat zal dat genoegen des te intenser worden. Asceten zullen daarom vermijden zich te laten meeslepen door wat voor hen kleinere vreugden zijn, om zodoende hun systeem als het ware vrij te houden voor de allergrootste belevenis, de realisatie van het opperste begrip, het ultieme zijn van het al, dat inzicht in het ruimst mogelijke verband van het geheel oplevert. 

 

Fasen in de mystieke ervaring

Bij elke mystieke ervaring moeten we drie hoofdfasen onderscheiden. Bij het intreden is er de voorsituatie, dan komt de eigenlijke ervaring, en vervolgens is er de naverwerking.

Voorsituatie

(meer lezen...)

Bewustzijnsverschuiving

(meer lezen...)

Scherp of vaag contrast

Dit vormt een schril contrast met de ervaring die we doorgaans van het leven hebben, waar het juist andersom is. Het tijdloze nu-bewustzijn is dan volledig ondergeschikt geraakt aan de beperkende gedachten en ervaringen van verleden en toekomst.

Vlak voor en na het piekmoment van de mystieke ervaring wordt juist dit contrast op zich ervaren. Men heeft geen woorden of gedachten om het nauwer te beschrijven. Dat gebeurt pas in de derde fase, wanneer de eigenlijke ervaring in feite achter de rug is.

Toch is er soms gelijktijdigheid of een min of meer bewuste geleidelijke overgang van de ene fase naar de andere, een vager contrast dus. Men kan zelfs zeggen dat een ‘geroutineerde’ mysticus al deze fasen voortdurend bewust simultaan beleeft. Hij of zij ziet als het ware toe op de verdere ontwikkeling van de eigen persoonlijkheid, tegelijk in de bewustheid van het oneindige vertoevend, zonder dat dit het gelijktijdig functioneren hindert. Met een ruim bewustzijn heeft men uiteraard toegang tot een ruim kennisveld. Bewustzijn is doorgaans afgemeten op de omvang van het kennisveld. Hoe ruimer het kennisveld, des te ruimer het bewustzijn, des te groter de betrokkenheid op de omgevende werkelijkheid. We hebben het hier uiteraard niet over wetenschappelijke kennis, maar over wat men levenskennis, of geïntegreerde kennis, zou kunnen noemen of de persoonsstructuur als geheel.

 

Maar bij de mystieke blitz-ervaring waar we het eerder over hadden is er even nog geen sprake van dit alles, is er alleen een soort zelfverlies om tijdelijk in een ruim bewustzijnsveld terecht te komen, dat nog niet door een kennisveld wordt gedragen. Het kennisveld is zich namelijk dan juist aan het structureren op basis van de bewustzijnsenergie die overloopt aan de rand van het bestaande kennisveld, de persoonsstructuur van dat moment die zich aan het uitbreiden is.

Uitbreiding van de persoon en eerste herinneringsvorming

(meer lezen...)

Naverwerking door individu en omgeving

De derde fase is de naverwerking, en deze gebeurt in de eerste plaats ten behoeve van de persoon zelf die de ervaring had. Vandaar ook de gedrevenheid die men doorgaans bij dit soort mensen aantreft. Het meedelen en toetsen bij anderen komt pas op de tweede plaats, als een soort extraatje, een luxe of bijkomende gunst naar de gemeenschap toe. Het kan op zijn beurt op dat niveau voor een schokgolf zorgen natuurlijk, waar op diverse manieren op gereageerd gaat worden, maar het heeft daar evenzeer de functie van integreren en structureren van wat men dan het collectieve bewustzijn kan noemen, met als structuur het collectieve kennisveld dat we grofweg cultuur noemen.

Tijdens de naverwerking gaat de mysticus op de eerste plaats voor zichzelf zijn ervaring duiden en plaatsen. Als ze nog vers is zal hij of zij er ook inhoud aan geven, en daarvoor dus bekende vertrouwde elementen gebruiken, maar in een nieuw of ruimer verband geplaatst, dat naar zijn of haar gevoel overeenkomt met wat er aan herinnering van de ervaring is overgebleven.

Het wordt hier al onmiddellijk duidelijk dat de cultureel ingekleurde subjectiviteit hierin de overhand heeft. Die zal er voor zorgen dat vaak de meest fantastische beelden en visioenen worden beschreven of de diepste gevoelens die met de nabelevenis gepaard gaan. Die kunnen inderdaad nog min of meer spontaan zijn ontstaan in de directe nasleep van de ervaring in de tweede fase die ook iets van een droomfase of trance kan hebben, maar ze kunnen nadien ook verder zijn gestoffeerd natuurlijk. En indien ze later ook nog eens door anderen werden in beeld gebracht en doorgegeven, dan kunnen er nog extra elementen aan toegevoegd of eruit weg zijn gelaten of zelfs ‘aangepast’.

Vaak is het zo dat een sterk nieuw inzicht niet geheel wordt gevat door degenen die er de mededeling van krijgen, zoals de discipelen rond een meester. Zij blijven nog even met het iets meer bekrompen oude inzicht zitten en proberen met die ingesteldheid het nieuwe daaraan aan te passen wanneer ze het moeten weergeven. Wat uiteraard in het beste geval tot een ietwat verwrongen weergave zal leiden.

 

Wie achteraf de producten van mystieke ervaring van een bepaalde cultuur gaat bekijken, moet zich ook enigszins in het historisch perspectief terug kunnen plaatsen. Dan zal men beter begrijpen waarom juist dat soort beeld of verhaal als weergave van een universeel inzicht is gebruikt. Men moet er vooral ook op bedacht zijn dat bepaalde zaken uit de eigen cultuur op die plaats en in die tijd niet voorhanden waren als materiaal voor uitbeelding en verwoording. En dat andere zaken, die voor ons misschien totaal bijkomstig zijn geworden, toen wel van groot belang waren. In een samenleving in stamverband is bijvoorbeeld een grote ketel een dagelijks gebruikt centraal voorwerp. Het zal dan ook geen verbazing wekken dat de ketel als symboolweergave wordt gebruikt voor bepaalde universele gedachten over heelal en schepping. Vanwege het geringe belang dat ketels in onze cultuur hebben, zullen we misschien de neiging hebben om mythische verhalen rond dit thema als even onbelangrijk af te doen. Toch geven ze vaak een zeer essentiële versie van een oervorm van universeel denken weer. En zo zijn er in andere culturen en periodes van ontwikkeling weer andere symbolen.

(meer lezen...)

 

____________

 

 

 

 

 


8.   God, goden en godsbegrippen

Goden treft men in alle menselijke culturen aan, zij het onder vele namen en met uiteenlopende functies, eigenschappen en symbolen. Maar telkens lijkt het om een abstract culminatiepunt van een denkproces te gaan. Bij zijn universeel denken komt de mens als enige wezen tot abstractie van de realiteit van zijn omgeving. Hij is in staat daarin door te denken tot op de bodem van zijn bestaan. En vandaar gaat hij nog verder. Hij zoekt altijd maar dieper liggende oorzaken en benoemt die, tot hij bij de universele abstracte basis belandt en ook die benoemt, en er eigenschappen aan toekent. 

Het godsbegrip is één van de meest controversiële begrippen die de mens zich ooit heeft eigen gemaakt. Het begrip bestaat dus in ieder geval al. De vraag is, of dat waar het naar verwijst inderdaad ook bestaat. Begrippen verwijzen altijd wel naar iets, zou men kunnen zeggen, dus is het zinvol aan te nemen dat er in ieder geval ook wel ‘iets’ bestaat waarnaar men met het begrip ‘god’ kan verwijzen. De vraag is echter wat dat iets dan in werkelijkheid is, en vooral of het werkelijk ook in alle verwijzingen dezelfde karakteristieken bezit die het begrip lijkt te willen beïnhouden.

Met een begrip als ‘liefde’ wordt ook iets aangeduid waarvan men zich zou kunnen afvagen of het werkelijk op zich bestaat, en of het niet eerder een samenvattende relatie van andere begrippen weergeeft. Dezelfde vraag kan men bij alle mogelijke begrippen en dus ook bij het godsbegrip stellen. Bestaat dat waar het naar verwijst op zichzelf (dus: is er een god?) of geeft het begrip enkel een samenvattende kennisrelatie van andere begrippen weer, die op hun beurt verwijzen naar al dan niet echt op zichzelf bestaande entiteiten? (In dat geval: bestaat ‘god’ enkel in ons hoofd?)

Is ‘God’ enkel een handig begrip zonder realiteit?

Deze diep filosofische vraag kan men in feite voor om het even wat of welk begrip dan ook stellen. Bestaat het ding ‘an sich’ of bestaat het alleen ‘für mich’? Het zijn twee uitersten van een schaal van beschouwing van de werkelijkheid. In feite bestaan ze ook tegelijk, het ene sluit het andere in als men de schaal in haar geheel zou beschouwen, maar meestal is dat laatste niet het geval. Aan de ene kant nemen mensen dan aan dat de werkelijkheid enkel op zich bestaat en al wat we erover denken irrelevant is, want de werkelijkheid op zich is onkenbaar zoals ze is. Terwijl het andere extreem stelt dat er in feite alleen maar kennispatronen zijn die een soort werkelijkheid ineen lijken te spinnen, terwijl er in feite geen andere werkelijkheid is dan die welke we onszelf voorspiegelen. Grofweg is dit objectivisme tegenover subjectivisme.

Het is inderdaad zo dat wij de werkelijkheid kennen door middel van kennispatronen, begrippen die verwijzen naar objecten en gebeurtenissen, relaties tussen begrippen, en dat wij de werkelijkheid op zich trachten te vatten in dit netwerk van kennis en ze dus op onze eigen manier beschouwen. Maar tegelijk is het ook zo dat de meeste mensen daaraan ook de echte realiteit koppelen, waarnaar al die kennis dus verwijst. Filosofisch kan men zich afvragen of dit wel helemaal terecht is, en extreem gesteld is het dat niet. Maar in de praktijk ervaren we die door ons gestelde werkelijkheid intussen toch maar, en treden er voortdurend mee in interactie. Ook de meest nihilistische filosoof doet dat, ondanks of juist dankzij zijn universele twijfel.

Begripsgradaties

Hetzelfde zien we gebeuren bij de invloed van grote denkers en hun visie op het verloop van de wereldgeschiedenis. Wat velen niet weten, vullen zij aan met vertrouwen in anderen die het weten, of denken of zeggen het te weten. Men vertrouwt hen hoger gezag toe. Naarmate het om hogere begrippen gaat, die doorgaans ook meer omvattend qua invloed zijn, krijgen de kenners en vertegenwoordigers van die begrippen meer gezag en ook meer macht toebedeeld.

 

Zo blijken gradaties van begrippen zeer belangrijk, en dus ook de hiërarchische orde waarin ze gestructureerd zijn, zowel sociaal als individueel. Want normaal bevinden de meer omvattende begrippen zich hoger in deze rangorde, zodat er zich theoretisch iets als een ‘kennispiramide’[1] heeft gevormd. Als we dan de collectieve kennispiramide van de mensheid naar inhoud beschouwen, dan lijkt het erop dat het begrip ‘god’ daarin zeer hoog ligt, als het al niet de top zelf ervan is. Het begrip ‘god’ is dan met andere woorden het hoogste begrip van het meest omvattende dat nog net denkbaar is (of net niet meer, want een begrip dat zo eenzaam aan de top staat kan niet in andere contexten worden geplaatst zonder verlaagd te worden, en denken is begrippen in nieuwe contexten van begrippen plaatsen, en aldus nieuwe relaties zien en nieuwe begrippen ontdekken).

Een topbegrip

(meer lezen...)

De realiteit in haar geheel of gehalveerd

Men kan dus eenvoudig stellen dat god het geheel is, of andersom, dat we het virtueel geheel ‘god’ noemen. Met het geheel bedoelen we dan werkelijk de volkomen realiteit in al haar hoedanigheden. Dat wil zeggen dat alles wat tot dat geheel behoort ook tot god behoort, dus als het de algehele god is, zowel het goede als het kwade, het materiële en het energetische, het grote en het kleine in het hele universum, en het universum zelf. Als het de algehele algod is, dan is deze tegelijk immanent en transcendent, eeuwig en tijdelijk, universeel en plaatselijk. God is dan het culminerend punt van de universele totaalvisie.

 

Het is nog maar de vraag of een religie het opperwezen op deze alomvattende manier kan beschouwen. We zien algauw dat er een zeker onderscheid wordt gemaakt, waardoor men opnieuw naar lagere begrippen afdaalt, of deelbegrippen. Want de drie monotheïstische religies neigen ertoe God te associëren met alleen maar het goede, alleen het tijdloze, alleen de kracht enzovoort. Men komt dan algauw tot een gereduceerde voorstelling. Zoals we eerder zagen kan met een begrip alleen in een context worden gewerkt waar minstens een tweede begrip van ongeveer dezelfde hoogte voor komt. Dit tweede begrip wordt in het religieuze denken dan ook spoedig gevormd als het tegendeel van God. Men komt zo tot een tweede entiteit, die dan vaak al het mogelijke kwaad krijgt toegedicht. De religieuze dualiteit en strijd zijn geboren...

 

Het tweede ‘al-wezen’ zal meestal niet ‘God’ genoemd worden, maar een andere naam krijgen ter onderscheiding. Het wordt een anti-wezen. Dit is duidelijk het geval bij de ‘jongere’ religies zoals het christendom waar de status van God beperkt werd tot al het goede en positieve, terwijl hij toch als allerhoogste (omvattend begrip) wordt beschouwd, zodat men de tegenstrever in dat geval niet de status van god kon verlenen maar duivel,. (Merk dat diens naam zelfs niet met een hoofdletter wordt geschreven om de indruk van minderwaardigheid extra te benadrukken). Deze beschouwing wringt uiteraard. Want ofwel noemt men het allerhoogste ‘God’ en dan kent men er alle mogelijke eigenschappen aan toe (omdat het het allerhoogste begrip is) ofwel geeft men toe dat het in feite om een ‘lager’ begrip gaat, van welke categorie er meer zijn.

Bij oudere religies is er plaats voor meerdere goden van verschillende niveaus. Zij krijgen elk hun eigen attributen als teken van specifieke (dus beperkte) eigenschappen of begrippen die van toepassing zijn. In het hindoeïsme gaat men zelfs zover dat boven het allerhoogste godsbegrip een nog omvattender begrip heerst, dat het geheel aangeeft waarin zowel het universum als het pantheon en zijn hemel thuis horen. Dat is ‘het brahman’ het allerhoogste zijn. De god Brahma (noteer de weggevallen eindletter) wordt daar al duidelijk van onderscheiden als willend wezen op zich dat relatief is. Het brahman zelf is niet willend, maar aldoordringend, alomvattend, eindeloos en absoluut. Het is als het ware de al-substantie. En er zijn heel wat filosofische bespiegelingen aan gewijd, onder meer door de bekende filosoof Shamkara en zijn school. Men kan deze eigenschappen niet exclusief aan het opperwezen toekennen, want dat is zelf een aspect van het hoogste zijn. In deze totaalvisie komt het hoogste zijn overeen met het absolute niets als hoogste begrip, terwijl het hoogste levende wezen, de alomvattende entiteit, god, als alomvattend relatief aspect wordt beschouwd, en dat dus een modaliteit van het eerste is.

God de Vader of Moedergodin

Voor velen is het vanzelfsprekend geworden om het opperwezen mannelijk te noemen. Beschouwt men echter de ‘grote’ geschiedenis der mensheid, dan blijkt het opperwezen ook vaak ‘God de Moeder’, of ‘de Moedergodin’. Er zijn heel wat sporen en restanten van een  moedergodincultus, vooral uit het Neolithicum, wijzend op matriarchale samenleving, waar bijgevolg ook het hoogste principe, opperste symbool van vruchtbaarheid of scheppingskracht, als vrouwelijk werd gezien.

Die moedergodin is in de lange loop van de geschiedenis en op vele plaatsen vaak van naam veranderd. Zij is bij de Egyptenaren terug te vinden als Isis,  Hathor, Seckmet;  Inanna in Mesopotamië.

Onze Mariacultus zou er ook een verre uitloper van zijn. (Sommigen vragen zich dan af: is het de historische moeder van Jezus van Nazareth  of Maria Magdalena? Of Ay Mari, Stella Maris, of Astarte ?).


In Çatal Hüyük, ten noorden van het Taurusgebergte in Anatolië, Zuid-Turkije, zijn door James Mellaert opgravingen gedaan van een neolithische stad van 13 Ha groot met 11 tot 15 bouwlagen. Daar was een tempelruimte gewijd aan de moedergodin met symbolen als stierenkoppen (teken van vruchtbaarheid). Meer recent zijn ook in Duitsland 7.000 jaar oude monumenten ontdekt.

 

De cyclus is belangrijk in die cultus, vooral de maancyclus met zijn 14 dagen op en 14 dagen af (er zijn oude tempels met een ceremoniële trap met zoveel treden, zoals die van Hathor in Dendra). Zij is dus ook de godin van de tijdmeting, de mensura (mensa in het Latijn = maand, la mesure in het Frans = de maat). Daarom wordt de moedergodin vaak met een maansikkel afgebeeld. Deze is dan weer sterk verwant aan de hoorn, al dan niet dubbel. Over die attributen hebben we het nog in hoofdstuk 10. Oude feesten stammen van de cultus van de moedergodin, zij die leven en vruchtbaarheid schenkt in de lente en het omgekeerde in de herfst. Zo is er het Keltische Beltain de Walpurgisnacht (30 april - 1 mei), tegenhanger van Samhain (dat nu Haloween is genoemd). In deze nachten zijn de 'heksen' actief, doorgaans vrouwen.

 

In de matriarchale samenleving waren vrouwen ook uitvindsters van landbouw (horticultuur). Mythen als die van Demeter en Persephone, of Kore, zouden hieraan herinneren. Terwijl mannen op gevaarlijke mammoeten joegen, hielden de vrouwen de kinderen op veilige afstand en experimenteerden intussen met eetbaarheid van bessen, granen, groenten en wortels en verwierven daardoor hogere kennis dan de mannen, onder meer kruidenkennis, die zij door de eeuwen bewaarden en overleverden van moeder op dochter. Ze gingen zelf ook granen en planten telen. Zo bracht de vrouw 2,4 Kcal per uur in het huishouden (tegenover 100 door de man). Daarom ging men zich in de ‘Neolithische revolutie’ verder op die landbouw toeleggen. Vruchtbaarheid en afstemming op seizoens- en maancyclus waren daarbij belangrijk, ook het weer voorzien. Dat alles gaf de vrouw een hoog aanzien als moeder, en het natuurprincipe werd vanzelf als moedergodin vereerd: Moeder Natuur. En ze kreeg allerlei namen, natuurlijk. In veel mythen wordt overgeleverd hoe de godin het volk allerlei culturele deugden bijbracht.

 

(meer lezen...)

Opperwezens van verschillende hoogten

(meer lezen...)

Meergodendom

Er komen dus tussen culturen al verschillende godsconcepten voor. Sterker is dit nog het geval binnen culturen waar meergodendom wordt aangehouden bij het beschrijven van de totaalvisie. Meerdere goden zijn ofwel afgeleide aspecten van hogere entiteiten ofwel zijn het meerdere versies van eenzelfde energie die door verschillende volkeren anders werd genoemd, maar die samen met hen zijn versmolten in een groter geheel (zo bijvoorbeeld zijn Isis, Hathor, Afrodite, Demeter in het Romeins pantheon tot Ceres gefuseerd).

 

In elk geval is er bijna altijd één hoofdentiteit die als opperwezen wordt beschouwd en die in zekere zin alle andere entiteiten vertegenwoordigt of bevat. Daar onder zijn er de afgeleide entiteiten, intelligenties en krachten die als meer uitgesproken aspecten van het alwezen op zich kunnen worden beschouwd. Zij kunnen in meerdere niveaus van (de)gradaties voorkomen, en worden ook niet altijd echt als goden benoemd: het kunnen ook aartsengelen en engelen zijn, of harpijen, titanen, muzen en nimfen. In die gevallen is het totaalconcept doorgaans vrij uitgebreid en genuanceerd, om niet te zeggen gecompliceerd, en er is als het ware een toplaag voorbehouden voor de almachtige godheid en zijn pantheon, met daaronder op een wat lager niveau entiteiten, die toch nog altijd ruimer en groter zijn dan de mens en zijn fysische wereld.

(meer lezen...)

Vergelijkbaarheid

(meer lezen...)

Beeld en werkelijkheid

Omnis comparatio claudicat, zo ook de vergelijkingen en allegorieën die door ‘zieners’ werden voortgebracht, zelfs in hun meest perfecte visioenen. We zagen reeds eerder dat geen enkele weergave de eigenlijke mystieke ervaring zelf evenaart, en zij evenaart uiteraard nog minder de algehele werkelijkheid waarmee de ziener zich even verenigde.

Daarom moeten we als het ware gokken om te weten wat letterlijk moet worden genomen en wat niet. Maar het mag natuurlijk een intelligente gok zijn.

 

Wanneer men eenmaal op de wijze van een archeoloog alle beschikbare stukken van een geheel tot een aanvaardbare context heeft bijeengebracht, de referentiekosmogonie en de entiteiten, de levende wezens, personificaties en goden, dan kan men die daarin passen. Belangrijk is dat ze allen op hun eigen niveau terecht komen en in de juiste relatie tot elkaar, als dat nog niet zou gebeurd zijn in de oorspronkelijke weergave zelf.

Er zijn pogingen ondernomen om hele stambomen op te stellen van bijvoorbeeld de Griekse mythologische figuren. Afgezien van de mate van succes waarmee dit gebeurd is, moeten we ook bedenken dat het makkelijk is om zich daar geheel in te verliezen. Men raakt gauw het overzicht kwijt, alhoewel het oorspronkelijk waarschijnlijk juist de bedoeling was een dergelijk overzicht te scheppen. Het daadwerkelijk puzzelen met mythologische figuren en hun context is dus één zaak. Iets heel anders is te volstaan met de wetenschap dat dergelijk puzzelwerk gewoon mogelijk is, en dat het, op de achtergrond van een universeel referentiekader uitgevoerd, de vergelijking tussen mythologieën en godsdienstige voorstellingen tot in detail kan mogelijk maken.

We kunnen aldus tot een taxonomie van taxonomieën komen. En dit niet met de bedoeling te gaan uitmaken welke de beste is of was, maar wel met de diepe intentie om uit elk ervan het bruikbare te halen om daarmee voor onszelf de ruimst denkbare totaalvisie op te bouwen of te schragen.

 

(meer lezen...)

Ontstaan van het godsbegrip

Zolang er mensen zijn, zullen er goden zijn. Deze boutade werd door Feuerbach geformuleerd. Het is inderdaad opvallend dat mensen zich altijd en overal door goden omringd hebben gevoeld, in tegenstelling naar men mag aannemen tot de andere levende wezens uit de evolutiestamboom. Antropologisch en psychologisch kunnen hiervoor allerlei redenen worden gevonden, maar het blijft een opmerkelijk feit op zich. Om het fenomeen te begrijpen moeten we terug naar een ver verleden. Misschien moeten we wel zover gaan als toen de mens zich voor het eerst begon vragen te stellen over zijn eigen herkomst en bestemming. Het besef dat iemand ‘dood’ kon zijn en de levensgrote vraag naar het hoe en waarom daarvan. Heel veel sjamanistische rituelen en opvattingen verwijzen naar pas gestorvenen en voorouders. Men voelt een band met hen en (h)erkent de eigen kennis, die men van hen heeft overgeërfd. Ondanks het afscheid blijft er besef van verbondenheid en van een positie van ieder individu in het grote geheel, waarin ook dieren en andere wezens hun plaats hebben.

 

Voor de Kelten en onze voorouders in Noordelijk Europa waren de natuurkrachten heilig. De Edda spreekt van regin  als heersende principes of machten. Deze omvatten zowel ‘reuzen’ (oerkrachten) als ‘asen’ (hemelgoden) en ‘wanen’ (aardgeesten). Ook die hebben een begin en een einde in de kosmische tijdruimte en volgen elkaar op. Ze kregen namen, een ‘gezicht’ en een karakter, en werden soms afgebeeld. Maar ze doken vooral op in de mythische verhalen.

 

De oude Egyptenaren hanteerden in predynastieke tijden het begrip ‘netjer’. Dat was de term voor natuurlijke en bovennatuurlijke drijfkrachten, wetmatigheden en principes die in de hele kosmos functioneren. De term werd later, bij gebrek aan een betere, door de Grieken vertaald als θέος. Daarom werd de term in de westerse cultuur als 'god' of 'goden' gezien. Maar dit was in feite een reductie. Het begrip netjer duidde immers niet alleen op bovennatuurlijke wezens (godheden), maar ook op degenen die, of dat wat, begraven is/zijn (aldus een Romeins document). Volgens Hornung (lit.) zouden de drie medeklinkers (de Egyptenaren schreven alleen medeklinkers) NTR een wortel kunnen zijn uit een Semitische taal en anders zijn, bovennatuurlijk betekenen. Een andere hypothese is dat NI een voorzetsel is dat betekent behorend tot terwijl TJR boom betekent. Dit zou dan een plaats in de algehele levensboom of evolutiestamboom kunnen aanduiden. Beide visies sluiten mekaar niet uit. De overledene zit nu ‘anders’ in dezelfde levensboom, want deze evolueert, en is zelf in vele mythologieën een synoniem voor de (vrouwelijke) scheppergodin, of de kracht en vruchtbaarheid van de (mannelijke) scheppergod. Ook Osiris werd volgens een mythe in (de stam van) een boom geplaatst toen hij was gestorven.

De predynastieke Egyptenaren hadden een ogdoade geformuleerd. Dat was in feite een viervoudige herhaling van een oorspronkelijk koppel dat met de oneindigheid zelf overeenstemde (Noen en Naunet, de oerwateren). De andere koppels gaven kenmerken hiervan weer zoals het duister (Kek en Keket), de tijdloosheid (Heh en Hehet), de stilte, en vloeiden er in feite uit voort. Dit waren oorspronkelijk geen goden, maar filosofische concepten. Deze totaalvisie ontplooide zich verder in afgeleide begrippen, die op hun beurt later werden vergoddelijkt. Zelfs het ontstaan van de goden zelf werd in deze totaalvisie ingeschreven. Zij ontstonden door opsplitsing van het ene. Dit ene was Atoem, het al of het zijn, dat ‘niesde’ en daardoor de droge beweeglijke ‘lucht’ Sjoe en de ‘vochtigheid’ Tefnoet voortbracht. Hiermee was een kettingproces in gang gezet, vergelijkbaar met de big-bang, waarbij aanvankelijk de ene na de andere godheid ontstond. De eerste reeks goden na de ogdoade was de enneade (negen) en zij waren uiteindelijk degenen die tot het ontstaan van de werelden bijdroegen. In deze visie ontstonden ook later nog goden of netjers. Opmerkelijk is dat zij in feite dus ook een begin en een einde kennen, zoals de mensen en de dieren, een opvatting die eveneens in de Noord- Europese mythologie overheerst.

 

(meer lezen...)

 

____________


9.   Mythologie als neerslag van totaalvisie

 

Daar waar de mystiek rechtstreeks op ervaring betrekking heeft, is mythologie in de eerste plaats op kennis betrokken. Het gaat dan met name om kennis van het niet-alledaagse, of dat wat daar juist aan ten grondslag ligt of er het ruime kader voor vormt: universele kennis. De praktische kant van mythologie was het ritueel. Dit diende om de kennis toe te passen om voordeel te halen (‘do ut des’) en was er in feite zeer mee verweven.

Aard en oogmerk van mythologie

De eerste weergave van de totaalvisie van de mens ligt gestructureerd in de vorm van levende mythen. Ze pogen een zo volledig mogelijke weergave op hoog niveau te zijn van universele elementen van menselijke kennis. Mythen geven deze ‘mythemen’ hun positie in het geheel van de werkelijkheid, met hun onderlinge relatie en wisselwerking, hun eigenschappen enzovoort.

Mythen evolueren terwijl ze mondeling worden doorgegeven, totdat ze in schrift zijn vastgelegd.

Mythologie is prewetenschappelijk en zelfs prefilosofisch, niet noodzakelijk enkel in de tijd, maar vooral in orde van belang qua kenniswijzen. Ze is in vele gevallen ook prereligieus. Ze lijkt met andere woorden vrij fundamenteel voor de menselijke cultuur in het algemeen.  Ze draagt dan ook de vroege functie van een taxonomie in zich. Het hele pantheon is immers een geordende opsomming en beschrijving van krachten en aspecten van de wijde werkelijkheid. Bovendien bevat ze meestal ook een kosmogonie, dat wil zeggen een schematische indeling, als voorstellingskader van het geheel waarin al deze krachten en aspecten zich voor doen. Ze is wat dat betreft wel te vergelijken met onze moderne opvattingen van de fysica. Al is haar oorsprong metafysica, of zelfs metareligie, en gebruikt ze een eigen communicatievorm, toch gaat het in wezen over dezelfde universele werkelijkheid. Ook de mythologie poogt deze immers in een samenhangend kennisbeeld te vatten, een totaalvisie, maar gebruikt daarvoor een geheel eigen soort beelden, namelijk het soort dat dichter bij de ervaringen van de droomwereld ligt dan bij de rationelere waaktoestand. Impliciet zoekt zij diepere oorzakelijke zijnsgronden, waarop de rituelen kunnen functioneren.

Mythisch denken

Mythisch denken is, als speciale vorm van universeel denken, niet alleen synoptisch maar ook associatief. Het is synoptisch omdat het samenvattend naar complexe ideeën en begrippen refereert, en het is associatief omdat die referentie symbolisch en allegorisch is. Wie de sleutels tot de begrippen mist, en dat doen we in eerste instantie allemaal, mist de pointe. Een mythisch symbool, zoals de eenvoudige naam van een godheid alleen al of een ankhteken, roept een hele constellatie van begrippen op, die zelfs niet met een uitgebreid vocabulaire zou zijn weer te geven. Het noemen van een naam als samenvattend symbool evoceert een wereld op zich. En het in verband brengen van die namen, attributen en synoptische voorstellingen schept een rijkdom van schakeringen, die met geen ander medium is weer te geven. Het mythisch denken tracht de complexheid van de werelden te evoceren binnen de menselijke geest. Het doet dit op een levendige en dynamische manier. Want het echte mythisch denken is niet te vereenzelvigen met zijn producten, de statische voorstellingen en vastgelegde verhalen op de huid van de Oerslang. Het is een proces dat in gang wordt gehouden, zolang de verhalen worden doorverteld en ritueel toegepast en door elke deelnemende geest verwerkt, uitgepakt en tot leven gewekt. De voorstelling op zich heeft geen waarde als zodanig, enkel dat wat ze teweeg brengt is van belang. In hun levende periode worden mythen doorverteld en kunnen ze ook voortdurend worden bijgestuurd en aangepast. Ze doen dat tot het echt niet meer gaat, tot ze min of meer vastlopen, in zichzelf, of in al te zeer gewijzigde levensomstandigheden van de cultuur waarin ze ontstaan waren.  Op dat moment is de levende Oerslang eruit verdwenen en blijft alleen een dode huid met eigen tekening achter.

De mythologische voorstelling en hoe we daarop reageren

Als we één bepaalde mythologie beschouwen dan laten we ons graag afleiden door de veelheid aan kleurrijke voorstellingen, vaak tot in de kleinste details uitgewerkt, van symbolisch gepersonifieerde krachten en wetmatigheden uit het universum. We laten ons niet alleen afleiden door de treffende gelijkenis van de beelden met aardse wezens, maar door hun plaatsing binnen een wereld die er op het eerste zicht ook zeer aards uitziet, zij het dan vaak in een geïdealiseerde, zoniet geïdylliseerde, of juist gedemoniseerde, vorm.

Dat schept de indruk dat hier sprake is van een tweede werkelijkheid, boven of onder of naast de dagelijks beleefde realiteit. En beschouwt men meerdere mythologieën naast elkaar, dan lijkt het misschien of dit nog eens zovele aparte werkelijkheden zijn.

Deze vaststelling zou ons meteen op onze hoede moeten stellen, terugdenkend aan wat hoger is gezegd in verband met naverwerking van mystieke ervaringen. We hebben toen beredeneerd, dat die vanwege de culturele gebondenheid van de persoon steevast tot weergave op basis van bekende gangbare termen en beelden zal leiden.

(meer lezen...)

Een ontbrekende dimensie

Een mythologie komt, net als om het even welke religie, niet in een cultureel vacuüm uit de lucht gevallen.  Er zijn altijd aanwijzingen voor een zekere evolutie, geleidelijk of soms meer abrupt met tussenpozen. Beschouwen we een grote mythologie, bijvoorbeeld de Griekse, zoals die is tot ons gekomen, dan zien we de tijdsdimensie daarin niet. Wij zien alleen het eindresultaat. Maar we moeten wel beseffen, dat zo’n mythologie ooit ontstaan en gegroeid is zoals een grote wereldstad ontstaat en groeit.

Die groei kan geïntegreerd of gefragmenteerd zijn verlopen, meestal dit laatste. En dit betekent dat het huidige totaalbeeld erg complex, chaotisch en incoherent kan zijn, omdat we vaak met bijeengepakte restanten zitten van iets wat intussen wel erg uit de mode is geraakt.

(meer lezen...)

Mythologische archeologie

Wie een mythologisch systeem (een min of meer bij elkaar horende verzameling mythen van een bepaalde cultuur) gaat bestuderen, wordt algauw overweldigd door de veelheid en complexiteit ervan. Maar zoals reeds gezegd wordt men geconfronteerd met het eindresultaat van een proces, dat zich gemakkelijk over millennia kan hebben uitgestrekt. Het verdient dus aanbeveling zich eerst van de onzichtbare tijdsdimensie bewust te worden die in die laatste vorm zit ingebed, zoals ruimtedimensie zit ingebed in het opgevouwen projectiebeeld van een voorwerp op een plat vlak. Ook doet het historisch perspectief ons alles meer en meer als op een hoop geworpen zien, naarmate we verder en verder naar een ver verleden terugkijken.

 

We zullen nu trachten enkele aanknopingspunten voor die verloren tijdsdimensie te geven. Daarbij komt de ervaring van archeologen goed van pas. Want zelfs een oppervlakkige vergelijkende studie van verschillende mythologische systemen laat toe hierin een zekere constante structuur te ontdekken, verwant aan de wijze waarop menselijke bouwsels zich doorgaans ontwikkelen. De archeoloog stelt een opeenstapeling in lagen van opeenvolgende versies van bijvoorbeeld een oudere stad vast. Kenmerkend is dan, dat in die verschillende lagen materiaal van vroegere lagen is hergebruikt, dat het algemeen plan van de stad min of meer wordt doorgetrokken in de tijd, al kunnen zich daarin soms opmerkelijke verschuivingen of herstructureringen voordoen, dat vaak materiaal van ver is aangevoerd en verwerkt, en dat er steeds een oude kern van een allereerste nederzetting is te vinden.

Deze eigenschappen kan men blijkbaar ook op groei en ontstaan van mythologieën toepassen om aldus de tijdsdimensie te reconstrueren. We zullen dit nu nader toelichten.

Standaard mythologische lagen

In de meeste grote mythologische systemen zijn enkele opvallende ‘archeologische lagen’ herkenbaar die we als volgt kunnen definiëren en beschrijven:

(meer lezen...)

 

____________

 

 


10.        Mythische tekenen van universele kennis

In dit hoofdstuk zullen we pogen met al het voorgaande in het achterhoofd de vaakst voor komende universele elementen van menselijke kennis inhoudelijk op een rijtje te zetten, zoals de beschouwing van het heelal met de entiteiten erin, en leggen we bovendien verbanden met bestaande of gekende voorbeelden of begrippen uit mythologische,  religieuze en andere tradities.

We houden het hier bij de meest eenvoudige algemene universele thema’s. Er zijn er ongetwijfeld nog andere, vooral de meer complexe. De bedoeling is immers niet een wetenschappelijke vergelijkende studie neer te zetten, maar hoogstens een mogelijke aanzet tot dergelijke studie te leveren, en alvast sommigen te stimuleren in het denken omtrent de treffende overeenkomsten die men in  verschillende tradities van menselijke kennis ontmoet, ook als die geografisch of in de tijd ver uit elkaar liggen. Niet enkel de ‘verticale’ dimensie daarin is voor ons van belang, maar ook de horizontale historische verspreiding..

 

Men kan van mening zijn dat alle menselijke kennis historisch uit één oerbron voortkomt, die zich verder over de wereld heeft vertakt samen met de verspreiding en vertakking van haar dragende bevolking. Maar het lijkt in ieder geval zinnig om vast te stellen dat er enerzijds constanten zitten in de samenstelling en opbouw van het universum zelf, en anderzijds constante wetmatigheden aan de basis van het menselijk denken als zodanig liggen, die dus niet plaats- en tijdsgebonden zijn. Met andere woorden, na veel en lang en voldoende universeel denken komt men collectief vanzelf wel terecht bij de (‘meest juiste’ of passende weergave van) constanten en wetmatigheden die het universum kenmerken. Door C.G. Jung en anderen werd ernaar verwezen als naar archetypen.

Overigens sluiten deze twee zienswijzen omtrent oorsprong en evolutie van het universele denken elkaar niet uit. Het kan best wel zo zijn dat de fysische verplaatsing van groepen en volkeren synchroon loopt met het evoluerend denkproces van die groepen, waarbij zij intussen elk op hun manier tot het diepe inzicht van een samenhangende totaalvisie komen, als gevolg van de universele wetmatigheden zelf die het denken van de mens sturen. Gewijzigde omstandigheden van plaats en tijd zullen wel ander dragermateriaal aanreiken om aan deze kennisinhoud vorm te geven, maar de basis van die kennis is in se zoniet identiek, dan toch sterk verwant, net als de interactie van de mens met zijn omgeving, waar ook.

Die universele constanten die men in de uitdrukking van verschillende mythologieën steeds weer ontmoet worden ook wel eens mythemen genoemd. Het zijn als het ware de mythologische thema’s bij uitstek, de inhouden waar het telkens om gaat. We zullen er in dit hoofdstuk een aantal van beschrijven als ‘universele archetypische symbolen’.

 

Het oergegeven: de absolute zijnsgrond

(meer lezen...)

De oeromgeving:

In het niets, of uit dat absolute niets dat aan het begin van alles wordt gezien, vormt zich via het relatieve medium van een Oeroceaan of ether (oerstof) de oeromgeving. Men onderscheidt de eerste hoofdaspecten van de relatieve oerwereld als ‘elementen’. Dit zijn in se opnieuw verschillende statussen of stadia van hetzelfde, die als het ware telescopisch uit elkaar voortvloeien. Doorgaans is er sprake van ‘de vier elementen’ naast ether of ruimtelijke oersubstantie, namelijk lucht, water, vuur en aarde. Deze vormen samen de basistoestand van alles. Men erkent er een bepaalde opeenvolging in, een gradatie. Dat is dan aanleiding tot de opbouw van een kosmogonie. De kosmos, het geheel, bestaat als relationele structuur uit opeenvolgende niveaus, sferen, hemelen of werelden, zichtbare en onzichtbare, elk gevuld met een bepaald hoofdelement. Daarin onderscheiden zich bovendien allerlei subjecten en objecten. (Afhankelijk van het niveau waarin deze voor komen krijgen ze specifieke eigenschappen en soortnamen zoals watergeesten, vuurgeesten, hemelgeesten, aardgeesten.)

Elementen of essenties

(meer lezen...)

Lucht

Er is om te beginnen een gebied, of een toestand na die van het niets, of steunend daarop, of daarin, waarin alles in virtuele aanleg voor komt. Dat is de status die met lucht wordt aangeduid, omdat hij tegelijk zo ijl en onzichtbaar is als de lucht die we met onze zintuigen waarnemen, en toch al een zekere ‘viscositeit’ en beweeglijkheid heeft. Deze toestand komt overeen met de relatieve trillende nietsnevel zoals die wordt beschreven in de Trillend Niets Theorie[2]. Het is ook de oerchaos. Noteer dat het woord chaos en gas verwant zijn. Het woord lucht is a.h.w. het totemwoord. In sommige cultuurstromingen wordt het in feite gelijkgesteld met ‘ether’ en buiten beschouwing gelaten, dan zijn enkel de volgende ‘de drie elementen’.

Water

(meer lezen...)

Vuur

Bij vuur is er sprake van transformatie. Substantie wordt van de ene vorm omgezet in de andere. Maar er is ook constante stroming van elementen van het vorige niveau (waterdruppels) die op dit niveau wat grotere complexere vormen aannemen. Een stilstaande vlam lijkt een vorm op zich, maar is een fenomeen van stromende deeltjes als een fontein. Bij lichte wijziging van stroomrichting of druk en verdeling kan de ene vorm in een andere overgaan. Het vuur is kenmerkend als energie en vormend bindend element. Dit is vooral op het overgangsniveau vuur-aarde zichtbaar in de vorm van het gloeiend ijzer dat door de smid wordt bewerkt, of de vloeiende lava die tot grillige rotsen wordt. Maar ook de gloeiende gasvormige planeet die zonet uit de zonnegloed is los geslingerd en stilaan zal gaan stollen.

In de vuurwereld kan de onderliggende substantie alle kanten op. Er kan vanalles gevormd, vervormd en hervormd worden. Vuur geeft intussen de samenhang op meer gedifferentieerde wijze weer, de interne aantrekkingskracht die de vorm bijeen houdt.

Aarde

Waar vuur nog de vergankelijkheid van alles typeert, lijkt aarde het tegendeel te willen aangeven. In de toestand van stolling lijken alle vormen voor altijd wel vastgelegd. De aardse toestand is bij uitstek die van de vaste vormpatronen of structuur. Enkel in het grensgebied vuur-aarde is zij nog tot vloeien en plaatselijk smelten in staat en kan er nog wat van vorm worden veranderd. Maar in het algemeen ligt de vorm vast op dit niveau. De vormen die hier naar voor zijn gekomen zijn in feite een selectie van wat er aan vormen virtueel is mogelijk geweest. Het blijken de enige die vrij stabiel zijn in tijd en ruimte, die dit niveau halen. Ze lijken uitgezuiverd door het vuur.

De originele ijle gaswolk die zich tot een grote vloeistofwolk had samengepakt verhitte en is ontbrand tot een grote vuurbol, die dan geleidelijk is gestold tot een wereld vol grillige vormen.

 

(meer lezen...)

Een dynamische gelaagde structuur

In zijn boek ‘Orde en Chaos’ (lit.) heeft professor Ilya Prigogine het over dissipatieve structuren. Dat zijn tussenvormen van patronen waarin deeltjes zich tijdelijk ordenen, indien zij onder sterke bewegingsdruk staan. Men ziet dergelijke patronen bijvoorbeeld ontstaan in een pan waarin een bodem olijfolie wordt verhit: bij zekere temperatuur ontstaat een stervormige krans. Deze oliestructuur bevindt zich op een ander manifestatieniveau dan dat van de oliedeeltjes zelf. Ze functioneert als overgang tussen twee stadia van hetzelfde, de olie.

 

In de wereld die wij dagelijks waarnemen lijkt niets verloren te gaan en niets lijkt er bij te komen. Elk atoom lijkt geteld. Alles wordt voortdurend gerecycleerd en gerecombineerd. Op die manier ontstaan en ontwikkelen steeds complexere structuren volgens min of meer vaste patronen die in de natuur lijken ingeschreven. Wanneer we echter wat dieper in de materie zelf doordringen, dan stellen we vast dat die atomen alweer niet zo ondeelbaar zijn als aanvankelijk was gedacht. Ze bestaan bovendien uit alsmaar kleinere deeltjes. En die blijken op hun beurt niet altijd zo stabiel. Dus zijn alle atomen werkelijk geteld? Komen er nooit bij en vallen er nooit af?

 

In de coulissen van de schijnbaar vaste wereld blijkt een hele efemere wereld aan gang, voortdurend in beweging, fluctuerend in ruimte, tijd en intensiteit. Daar verschijnen deeltjes uit het complete niets en verdwijnen vanzelf ook weer in dat niets.

De oude Griekse natuurfilosofen zeiden het reeds: panta rhei. Alles vloeit, is voortdurend in beweging. En ook de mythologische scheppingsverhalen tonen ons een oneindige oerzee van bewegingen. Vaste patronen die wij waarnemen zijn van tijdelijke aard, zij het dan dat hun tijd soms heel wat langer duurt dan die van bepaalde andere vormen van manifestatie van beweging, zoals wijzelf. Juist daarom lijken ze relatief vast.

 

(meer lezen...)

 

Text Box: Tempel Mahabalipuram, Indië
Al naargelang men zo’n relatieschema van bovenaf of van opzij bekijkt, komen er andere indelingen in voor. Indelingen vanuit een bovenaanzicht vertonen in elkaar passende vierkanten, rechthoeken of cirkels, of combinaties. Indelingen vanuit een zijaanzicht vertonen de mastaba vorm. Mastaba’s zijn trapvormige bouwsels die in verschillende culturen voor komen, en waarvan de piramide een meer afgelijnde vorm lijkt te zijn. Dergelijke bouwsels geven een driedimensionaal zicht op zowel de verticale als de horizontale indeling. Babylonische ziggurats en Incatempels hebben ook deze trapvorm. Het lijkt wel of men bij de bouw van dergelijke ‘tempels’ in de eerste plaats poogde een zo compact mogelijke replica van zijn kosmische visie voor te stellen, die dan ook nog eens ruimtelijk toegankelijk werd voor grote aantallen gelijkgezinden, om daar de individuele visie vorm te geven, voort te voeden en in stand te houden.

Veel tempels, in rotsen uitgehouwen, of uit megalieten opgetrokken, vertellen in hun complexe vormen dezelfde basiscode: de gelaagde structuur van het geheel van werelden. Een vereenvoudigde weergave van dit principe is de Jakobsladder. Een profetisch ziener kreeg deze als visioen en zag hoe engelachtige wezens erlangs opklommen en afdaalden tussen aarde en hemel.

 

(meer lezen...)

Entiteiten en hun attributen

In de mythologie worden de essenties, de werelden, sferen of oerelementen gemakkelijk verpersoonlijkt. Het denkkader wordt in al zijn niveaus bevolkt met een veelheid aan levende wezens of entiteiten. Dat wil zeggen, men geeft de begrippen niet alleen een eigen passende naam, maar koppelt daar ook een afbeelding aan, meestal van een mensachtig persoon. Deze kan dan worden voorgesteld met meerdere armen, ten teken van een machtigere invloed dan de gewone twee-armige mens, of met vleugels, ten teken van zekere gezwindheid qua verplaatsingscapaciteit of ter aanduiding van een aurale kracht of invloed van hogere sfeer of niveau. Er zijn afbeeldingen van goden en wezens met meerdere hoofden en ogen, ten teken van alomtegenwoordigheid, of juist met slechts één oog om hun relatieve eenvoud en oorspronkelijkheid weer te geven.

Hun uitdrukking en houding is eveneens betekenisvol. Ze reflecteert of het om een goede of om een gevaarlijke macht gaat waar rekening mee dient te worden gehouden.

 

Vruchtbaarheidsprincipes of procreatieve krachten worden weergegeven als vrouwelijke figuren met uitgesproken tekenen zoals gespannen grote borsten en buiken. Zij gaan vaak terug tot de verering van de ‘Moedergodin’, geassocieerd met aarde, en wijzen erop dat het scheppend principe eerder als vrouwelijk werd gezien. Maar er zijn ook weergaven van mannelijke en vrouwelijke aspecten in hetzelfde opperwezen verenigd. Op veel plaatsen vindt men beeldjes van een mensachtig paar die hiernaar verwijzen. Zo zijn er gestileerde Hittietische beeldjes van zo’n godenpaar gevonden. Ook in de Indiase mythologie wordt het oppergoddelijk principe vaak als een koppel of mythuna voorgesteld ter aanduiding van zowel de mannelijke als vrouwelijke eigenschappen die aan de basis van de schepping liggen. De houdingen en verhoudingen van dit oerkoppel worden dan ook nog eens elk apart verbeeld om alle mogelijke aspecten van interactie aan te geven. Daarbij worden de meest erotische poses soms niet geschuwd als middel om toch maar de idee van eenheid in diversiteit uit te beelden.

(meer lezen...)

 

Universele archetypische symbolen

In het mythisch denken wordt de manier waarop het er in de oeromgeving aan toegaat neergelegd in een aantal steeds weerkerende symbolen. Het zijn enerzijds archetypen omdat de meeste ervan inderdaad in verschillende culturen opduiken, als het ware los van elkaar. Anderzijds zijn het qua vorm ook vaak cultuurgebonden symbolen, in die zin dat het diepe denken vergelijkbare aanknopingspunten in de beschikbare omgeving zoekt om zich mee uit te drukken. Mythisch denken is altijd associatief.

Om het symbool te doorgronden moet men dus alleszins afstand nemen van die letterlijke verschijningsvorm. We zullen dat in de komende paragrafen proberen te doen aan de hand van enkele universele archetypische symbolen, die onder licht gewijzigde vorm in verschillende grote culturen worden aangetroffen.

Het blijft altijd nodig om binnen een mythologie, samen met de beschreven evenementen en symbolen, ook die verticale dimensie te blijven zien die het geheel in een ruimer perspectief plaatst, een universele diepe context van totaalvisie.

Ketel, kelk, kolk en klok

Wie zich het oneindige gegeven vacuüm (‘niets’) wil voorstellen, waarin en waaruit alles voor(t)komt, kan een eenvoudige cirkel trekken. Dat lijkt al een pot. Maar wil men tevens aangeven dat er binnen die cirkel vanalles gebeurt, dan moet daarin geroerd worden. De cirkel krijgt dan een open bovenkant en een roerstok. Meteen is een nieuw vruchtbaarheidssymbool geboren en een symbool van eenheid in verscheidenheid.

De grote ketel van de pre-Keltische moedergodin Cailleach, waarin alles wordt dooreen geroerd en letterlijk gerecycleerd, is reeds enkele malen vernoemd. We kennen de afgeleide voorbeelden daarvan, van heksen en druïden die in magische ketels roeren.

Het beduidt oorspronkelijk de kosmische ketel zelf, waarin de oersoep wordt bereid. Als men zegt ‘wordt bereid’ dan is dat zoveel als zeggen ‘iemand bereidt’ ze. Die iemand krijgt vervolgens een naam, wordt een benoemde entiteit, een godheid, die eventueel later weer wordt verketterd en tot kol verklaard. Maar intussen weten we dat de schepping als het ware zichzelf bereidt. De soep kookt vanzelf in de oneindigheid van mogelijkheden die door het gegeven vacuüm worden aangereikt. Dat wil zeggen, het oneindige vacuüm is een reservoir van alle mogelijkheden.

 

Het ketelsymbool ligt natuurlijk voor de hand in alle culturen waar eten en soep worden gekookt. Als een ziener in zijn totaalvisie het geheel in werking beschouwt, dan zal hij dit allicht globaal uitbeelden aan de hand van het alledaagse gebeuren van het koken in een pot. Men stelt daar met eigen ogen vast dat alles in stukjes wordt gehakt, verdeeld in de ketel en door elkaar geroerd in water of olie, en dat dit door toedoen van de energie die onderaan de pot wordt toegevoerd ertoe leidt dat de substantie wordt ontbonden in een nieuwe brij, of allerlei nieuwe vormen van eetbare brokken oplevert. Soms ook wordt er een fijn extract mee bereikt, dat als elixir kan worden gedronken. Tegelijk is in de vroege matriarchale culturen de ketel als symbool ook geassocieerd met de baarmoeder als vruchtbeginsel van de kosmische moedergodin die alles baart, terwijl de oerwateren het oervruchtwater zijn.

 

Dit is dus ideale beeldspraak om bij al dan niet ingewijden een gigantisch kosmisch proces te omschrijven. De ketel neemt dan gewoon de grootst denkbare vormen aan, en alle galaxieën, sterren en nevels drijven erin rond en om elkaar. De dragervloeistof die de ruimtelijke ether zelf is kan met een oeroceaan worden geassocieerd.

In de Indiase mythologie is sprake van het ‘karnen van de melkzee’. Tegengestelde krachten, vereenzelvigd met goede en kwade krachten of deva’s en asura’s, trekken beurtelings aan een kosmische Oerslang die als touw rond een gigantische roerstok is gedraaid, de wereldas of wereldberg, en door dit wedijveren ontstaat het roereffect, dat op zijn beurt tot klontering leidt. Dit is op zich al een zeer eenvoudige weergave van het omzettingsproces van oersubstantie in materiële complexe vormen, volgens cyclisch schommelende processen, op basis van tegengestelde oerkrachten. Het toont datzelfde omvattende archetype van een reusachtige ketel waarin alles wordt omgeroerd.

Bij mythologische afbeeldingen van scheppingsgoden ontmoet men dan ook vaak een ketel als attribuut. Zo is er een oud Indiaas reliëf waar de vader/moedergod wordt afgebeeld als een statig koppel, een mythuna, met tussenin een ketel. Ketels en kleinere potjes zijn ook attribuut voor talloze andere goden en godinnen. Bepaalde Indiase godheden worden voorgesteld met een klein gesloten watervaatje in de hand ten teken van hun kosmische macht. Dit duidt op hun vermogen om leven te schenken. Het zijn krachten in het kosmisch proces, die energie leveren, te vergelijken met de engelen die op hun bazuinen blazen of de bosgoden die op hoorns blazen.

 

Text Box:

De combinatie van spits, bol en klok (stupa) zijn ook te herkennen in de uivormige daken van Russische kerken en gebouwen, en in westerse. De gecombineerde structuur, knop en klok met spits, staat bovendien vaak op andere voorwerpen zoals scepters, rituele voorwerpen (deksel van de heilige graal), kelken en kerkornamenten, en zelfs op gewone huismeubelen en openbare gebouwen. Zij wordt verder nog gecombineerd met afgeleide symbolen van de hoorn des overvloeds, kruiken enzovoort, zoals hiernaast is te zien op het gebouw van de staatsbibliotheek in Berlijn bijvoorbeeld.

 

Het gebruik van kelken en kleinere kruikjes als symbool is hiermee verwant. Maar men kan die ook zien als aanwijzing van subtielere levensenergie. Tenslotte wordt het gezuiverde elixir uit de oeroude ketel opgevangen in een kleinere ketel, kelk of kruikje en als concentraat gebruikt. Dit gaat terug op de normale praktijk van het extraheren van kruiden en het brouwen van genezende, versterkende en leven gevende drankjes. De hele symboliek van de Graal voert hier op terug. Het is een verwijzing naar oorsprong en einddoel van het louterende van het scheppingsgebeuren en van het leven zelf: de essentie, de essence.

 

Symbolen uit het dagelijks leven worden aangewend om diepere wetenswaardigheden aan te duiden die te maken hebben met het proces van heel worden op basis van ultieme vereniging. Ze dienen voor kennis en ervaring.

Zoals vaak gaat het om de weergave van innerlijke processen die de mysticus heeft beleefd, maar die als beelden buiten het individu worden geprojecteerd voor degene die ze niet heeft beleefd. Wie de beelden los daarvan ziet, kan uiteraard niet dezelfde beleving hebben. De beleving van ultieme eenheid van de mysticus is een aldoordringende alomvattende ervaring van zuivere liefde, vrede en zekerheid. De beelden van het daarmee gepaard gaand inzicht worden pas nadien, terwijl de inspiratie nog nazindert, vastgelegd. Wie deze beelden op zich bekijkt, zonder de bijbehorende eenheidservaring, zal wellicht geneigd zijn ze anders of fout te ervaren en te interpreteren, en er arbitraire gevoelens mee te associëren.

Cirkels en cyclussen

De ronde vorm van de oerketel geeft de dimensie van beweging niet weer. Daarvoor is zoiets als de weergave van maanfasen, of van de zonneschijf met daarin geprojecteerd een rad met spaken, meer geschikt. Zoals het wiel ronddraait, zoals zon of maan langs de hemelboog wielen, zo ook keren bepaalde gebeurtenissen altijd maar weer, en volgen elkaar in bepaalde orde op. Dit heeft de oermens uiteraard in de gaten. Want hij denkt al vroeg zeer diep na. Daar is hij een mens voor. Tegelijk is die ook praktisch aangelegd en bepaalt seizoenen om aan cyclische landbouw te kunnen doen.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij of zij begint merksteentjes te leggen, die tenslotte hele megalieten worden, (zodat ze niet al te gauw meer van hun plaats verschuiven), om daarmee de vaste gebeurtenissen in de tijd na te meten, jaar na jaar.

Ook die megalieten worden vaak in cirkelvorm opgesteld. In zoverre zij de hemelse bewegingen markeren zijn het letterlijk tijdsmeters. Hun robuustheid was bedoeld om de tijd zelf te trotseren met alle mogelijke grote evenementen die daarin plaats hebben zoals overstromingen, aardbevingen en occasionele aanvallen van menselijk geweld.

 

Een bouwwerk als Stonehenge was multifunctioneel. Het diende bijvoorbeeld tegelijk een metafysisch, spiritueel religieus, wetenschappelijk, landbouwkundig en socio-cultureel doel. Het was holistisch.

Het was voor de zieners het symbool bij uitstek van de eeuwige kringloop der dingen om aan de traditie door te geven. Daarbinnen konden op, door het bouwwerk zelf, vastgestelde tijden speciale rituelen en diensten worden gehouden om de totaalvisie in stand te houden en door te geven, en de ervaring van eenheid met het geheel opnieuw op te roepen. Tegelijk lieten dergelijke bouwwerken (waarvan de originele compleetheid en afwerking ongetwijfeld verloren is gegaan)[3] toe om wetenschappelijke metingen te doen van de sterrenhemel en van de evoluties daarin. Ze dienden dus als observatoria, waarmee belangrijke noodzakelijke aanpassingen aan fijnere markeringen op en in het bouwwerk zelf konden worden gedaan of toegevoegd. Bepaalde metingen zoals die van zomer- en winterzonnewende waren van belang als referentie voor ijking van de landbouwkalender. En bovendien konden op cruciale dagen socio-culturele of religieuze feesten worden ingericht, eveneens volgens vaste traditionele patronen met geëigende plechtigheden en activiteiten daaraan verbonden. Dergelijke constructie diende dus letterlijk als centrale draaischijf voor een hele culturele samenleving.

 

 

Het befaamde zonnerad is door de eeuwen heen standaardsymbool geworden voor terugkerende cyclussen in de hele kosmos. Tegelijk heeft het een spirituele betekenis in die zin dat het een weergave is van de verhoudingen tussen zijn en worden. De buitenste velg, de cirkel zelf, is het symbool van de oppervlakkige wereld zoals men die met de zintuigen kent. De naaf staat voor het centrale rustpunt van het zijn zelf. En de spaken zijn acht verschillende invalshoeken of manieren om van het ene naar het andere te geraken of terug. Dat kan de beschouwende manier zijn, het pad van de kennis, of de praktische aanpak, of ook nog die van toewijding en liefde enzovoort.

 

Het markeren van betekenisvolle overgangen in cyclussen werd van oudsher niet via het zonnesymbool gedaan, maar via dat van de maan. Het is onder invloed van vooral Arisch gerichte zieners dat de ‘vrouwelijke’ maanvisie werd gesubstitueerd door de ‘mannelijke’ zonnevisie. Maar de maanstanden zijn voor de mens op aarde zeer duidelijke beelden om opeenvolgende fasen van een cyclus aan te geven. Men onderscheidt er immers aanschouwelijk drie typisch zichtbare gedaanten: eerste kwartier, volle maan, en laatste kwartier.

De vroegste zieners of zieneressen hadden reeds door dat de cyclische eigenschappen, namelijk wassend, vol en afnemend, niet enkel op het maanlicht van toepassing waren, maar dat ze ook de allergrootste kosmische cycli kenmerken. Het maansymbool werd daarom al in de alleroudste cultussen, geassocieerd met de moedergodin, het vigerend principe van de kosmos in een samenleving waar het vooral (moeder) de vrouw was die de zaken leidde. Zij wordt daarom vaak afgebeeld staand op een maansikkel, of met een figuur op het hoofd die de drie hoofdfasen aangeeft zoals twee hoorns met daartussen een volle schijf. De Egyptische stier Apis wordt ook zo afgebeeld, daarbij vormen beide hoorns op zich een soort maansikkel. De stier is niet toevallig ook de vertegenwoordiger van de vruchtbaarheid, zoals de moedergodin Isis zelf. Ook zij wordt met dergelijke symbolische hoofdtooi afgebeeld.

Uit opgravingen van het neolithische dorp Chatal Hüyük  in Anatolië blijkt de cultus van de moedergodin in die tijden. Een wandornament toont de godin boven drie stierenkoppen met vooruitstekende hoorns.

De Griekse godin Hekate had volgens de mythologische beschrijving drie gezichten die elk in een andere richting kijken. Ook zij wordt met de maan geassocieerd. Haar Romeinse tegenhangster is Trivia (letterlijk drieweg). In India zijn er ook androgyne Shivabeelden waarbij deze godheid een maansikkel in de haartooi draagt.

Tot in onze tijden is de cultus van de moedergodin verholen doorgegeven in de figuur van Maria. De jongere religies zoals het christendom hebben het vrouwelijke aspect van de oergod immers zover mogelijk verdrongen ten gunste van de patriarchale structuur met de vaderfiguur als oppergod. Maar de Mariaverering laat zien dat ook dit aspect, zij het in ondergeschikte rol, blijft voortbestaan. Enkele opvallende attributen doen aan de moedergodincultus denken zoals de blauwe mantel met sterren, symbool van de eeuwige vruchtbare alruimte of oerruimte, en de maansikkel waar Maria op staat ten teken van beheersing van de scheppingscyclussen.

(meer lezen...)

Hoorn des overvloeds

In de beschrijving van kosmogonieën kwamen we reeds de piramidevorm tegen als weergave van systematische opeenvolging van werelden die elkaar uitdrukking geven.

Men moet daarbij bedenken dat de oorsprong van dat geheel in feite een (nul)punt is, dat het originele ‘niets’ voorstelt, de bron van de genese. Het helpt dus om de piramide op zijn kop te beschouwen, al konden de bouwers hun werk om begrijpelijke redenen niet in die positie ter wereld krijgen. Rechtop was ongetwijfeld al moeilijk genoeg. Hoe dan ook, de driehoek geeft vanaf het ene (nul)punt naar de overliggende basis uitdrukking aan natuurlijke toename, rijkdom, differentiatie.

De driehoek als magisch symbool duikt overal op. Met de punt naar beneden duidt hij op het vrouwelijk vruchtbaarheidsaspect van het opperprincipe, met de punt naar boven op het mannelijke. Stilistisch geeft dit het hele scheppingsprincipe weer: veelheid vanuit eenheid. Soms wordt het ‘goddelijk oog’ in het midden geplaatst. Dan duiden de drie hoeken elk op een aspect van het alwezen. In oude Indiase voorstellingen staan mannelijke en vrouwelijke driehoeken over elkaar en vormen een zespuntige ster die het geheel van mythische krachten weergeeft waarmee de kosmos zich manifesteert.

Veel schematische weergaven van kosmogonieën vertonen de telescopische verschijning van opeenvolgende werelden, gestileerd in een driehoek vanuit een gemeenschappelijk beginpunt. De bekende ‘hoorn des overvloeds’ is daarvan een afgeleid en uitgewerkt model. Het eindigt ook steevast in vruchten als symbool van het eindresultaat van voorafgaande of onderliggende evenementen. De punt is het nietspunt van genese, de bron. De hoorn is in het algemeen al een symbool van vruchtbaarheid en overvloed die vanuit de hemel wordt geschonken. Het is beslist de moeite waard om alle verschillende verschijningsvormen ervan door de eeuwen heen te bestuderen. Van een eenvoudige al dan niet gevulde hoorn (zoals die in de hand van de Venus van Laussel uit het Neolithicum) wordt het tenslotte uitgewerkt tot een open coupe met fruit die tempels gaat sieren, en later balustrades van luxegebouwen. Het is ook een dankbaar thema in de tuinarchitectuur, soms herleid tot een eenvoudige mand met bloemen. Men ziet het opduiken in schilderijen en fresco’s, op munten en reliëfs, of als beeldhouwwerk. Bepaalde Indiase tempels vertonen die (omgekeerde) hoornstructuur in hun hele uiterlijke vorm.

 

(meer lezen...)

Het symbool is verwant aan, of in de loop der tijden verbonden geraakt met de vorm van de kinkhoorn. Merk op dat Neptunus als entiteit van de oerzee, op zo’n kinkhoorn blaast, wat duidt op de aanzet van vormscheppende trillingen. Ook Indiase godheden worden al vanouds met dit regeneratiesymbool afgebeeld.

Text Box: Een kerkornament
Text Box:

Er is telkens een duidelijk gelaagde of gelede structuur in de vorm van de hoorn waar te nemen. Soms suggereert deze een continue ruimtelijke draaiing, alsof men een kosmische wervel wil symboliseren, een tijdruimtekromming waarin alles tot uitdrukking komt, of een Oerslang (die ook door gedraaide Kanaänitische zuilen lijkt te worden gesuggereerd). Dit vormsymbool evoceert de werveling van één of meer nietspunten in synchrone beweging, stapsgewijs de meest complexe patronen ten aanzijn brengend. In andere gevallen zijn het meer los van elkaar voor komende lobben ter aanduiding van opeenvolgende fasen, te beginnen bij een onwaarneembaar nietspunt.

Een belangrijk aspect aan de hoorn des overvloeds is zijn dynamiek. Het is niet zo maar een statisch beeld van verhoudingen tussen scheppingslagen of fasen. Het duidt tevens op de voortdurendheid van het kosmisch proces, waar aan de basis continu nieuw materiaal wordt aangereikt voor wat aan de oppervlakte bloeit en vergaat als vrucht.

Die continuïteit staat juist garant voor de ‘overvloed’. De hoorn vloeit letterlijk over van wat er voortdurend in opkomt. En dat keert terug tot zijn basis, keert terug tot het niets waaruit het is voortgekomen, in een eindeloze cyclus van ontstaan, groeien en vergaan. Het originele niets zelf wordt met allerlei cultuurgebonden namen bedacht, zoals ‘het brahman’, ‘de oerzee’, ‘de wateren’, ’het vacuüm’…

 

(meer lezen...)

Wereldberg en as van de wereld

We zagen hoe het geheel in zowat elke mythologie tevoorschijn komt vanuit één punt in een toenemende wervel van overvloed. Alles draait in de onmetelijk grote kosmische ketel in grotere en kleinere cirkels en wervelingen rond zoals in een reusachtig rad. Logisch dat we daarbij niet alleen een opeenstapeling van werelden te zien krijgen, een zogenaamde wereldberg, maar ook de centrale stille as of spil van deze hele omwenteling.

 

De wereldberg is de structuur die uit de oerzee tevoorschijn treedt. Wereld en aarde worden nogal eens verward. Er zijn mythologieën waar de structuur ‘modder’ wordt genoemd, die uit de ‘diepte’ (de oeroceaan) wordt opgevist door een grote entiteit of kracht. De wereldberg is dan een opeenstapeling van meerdere werelden. Dat zijn niveaus van manifestatie op verschillende opeenvolgende schalen van beschouwing. Ook in onze moderne fysica gaan die schalen van oneindig klein tot oneindig groot en zien we achtereenvolgens de wereld van melkachtig stroboscopisch licht op de Planck-schaal, de wereld van de vier basiskrachten en de kwantums, de wereld van de deeltjes, die van de atomen, de moleculen, kristallen en cellen, de geologische en biologische wereld, de wereld op astronomische schaal, en tenslotte de kosmische schaal van het hele universum.  Telkens in feite dezelfde wereld op een ander niveau van reflectie van het oorspronkelijke.

Ook in vroegere mythologieën waren er die indelingen, zij het enigszins anders, met eigenschappen die aan de onderscheiden ‘werelden’ werden toegedicht. Het vergelijkbaar indelingsprincipe werd voorgesteld als kosmogonie, meestal in de vorm van een getrapte piramide zoals eerder besproken. De krachten die in de bijhorende werelden aan het werk waren werden als kleine of grotere figuurtjes van levende entiteiten voorgesteld. Het geheel van die structuur was de ‘wereldberg’. Men had dus oog voor het overzicht van het geheel[4].

 

(meer lezen...)

Scepters en andere symbolische attributen

(meer lezen...)

Levensboom of kennisboom

De zieners die aan de basis liggen van mythologische, religieuze, wijsgerige en wetenschappelijke beeldvorming, hebben onmiddellijk gezien dat de oorspronkelijke eenheid van het zijn zich vermenigvuldigt in talloze vormen. Relaties tussen vroegere en latere vormen van datzelfde kunnen blijven nabestaan, en dat levert een steeds verder opsplitsend vormpatroon als van een boom. In moderne beschouwingswijzen spreekt men van fractalen. Dat zijn vormpatronen die zichzelf volgens een unieke formule voortplanten en vermenigvuldigen.

 

Men beschouwt dit oerpatroon op de eerste plaats in de vorm van de oerboom of levensboom. Men stelt vast dat het ene nietspunt in de oneindigheid van het nietsveld (als ruimte) zich opsplitst in oneindige aantallen nieuwe nietspunten en dat deze op hun beurt weer hetzelfde doen, eeuwig en altijd, overal, cyclisch. Zo ontstaat een virtueel netwerk van relaties van het niets tot zichzelf als in een gigantisch magneetveld, waarin de boomstructuur deelvorm is. Aangezien al deze punten ook voortdurend in beweging zijn, beschouwt men op die manier het leven zelf aan zijn zuiverste basis. Welke nieuwe gecompliceerde vormen die basisvormen dan aannemen is het hele vervolgverhaal. Maar de essentiële samenvatting ervan is de levensboom, die ook de evolutieboom is.

 

In de oude mythologieën van noordelijk Europa (bewaard als Germaanse en Noordse) is Yggdrasil de wereldes. Het is tegelijk de wereldas, die door verschillende niveaus groeit. Hij wortelt met drie wortels in de oergrond. Eén daarvan put het oerwater waarmee hij zich voedt en groeit, de andere zit in de bron der wijsheid of kennis en aan de derde wordt door de Nornen het noodlot in elkaar geweven dat bepaalt hoe hij uitgroeit en wat er zoal als vrucht zal worden gedragen.

Alles, ook het heelal en wij allen zitten daarin. In de kruin huist de tweekoppige adelaar als symbool van alom helder zien. Herten met geweien doen zich tegoed aan de vruchten, leven volop het leven. Een haan zit gewoon stil het geheel gade te slaan, hij beschouwt als bewust aanwezige wakkere ziener het leven in zijn geheel. Aan de wortels kronkelt de Oerslang. Dat is de oertrilling of eerste beweging van het niets die mee de boomstructuur bepaalt, opbouwt, instandhoudt en afbreekt. Tussen het leidend principe bovenaan en de wortel onderaan loopt de eekhoorn Ratatoskr over en weer met berichten. Dit symboliseert de feedback relatie tussen de hogere en de lagere niveaus of werelden. We zien dit principe ook aan het werk bij de op en neer gaande engelen op de Jakobsladder. En in de Griekse mythologie is het Hermes met zijn gevleugelde schoenen die berichtimpulsen overbrengt van en naar Zeus, de dienstdoende oppergod. Verder herinnert dit aspect ook aan de regenboogfunctie, die hemel en aarde verbindt, en in feite een gelaagde opeenvolging van verschillende trillingspatronen of niveaus is. (Ook de godin Iris brengt daarlangs impulsen over tussen de werelden.)

 

Levensboommotieven komt men in alle mogelijke culturen en tradities tegen. Zo is bijvoorbeeld de Joodse Menora of zevenarmige kandelaar een gestileerde weergave van de levensboom zoals die al in Mesopotamië werd afgebeeld. De symboliek levert via het getal zeven ook het verband met de hemelen of niveaus.

Op Java bestaat een holistische voorstelling van de levensboom in combinatie met de wereldberg gemaakt. De top is piramidaal. Iedere rij takken geeft tegelijk een niveau weer en het geheel is opgenomen in een uiachtige vorm die meteen ook aan het kosmische ei doet denken of aan een gesloten graal. (De graal is op zijn beurt afgeleid van de kosmische ketel.)

 

Text Box: Levensboom ingewerkt in een wereldberg (Java)
Wanneer deze boomstructuur eenmaal door de ziener herkend is, dan is zij meteen ook de boom der kennis. In feite kan men zich zelfs afvragen of die hele visie niet hoofdzakelijk in functie van de ziener zelf is, zijn manier van zien, zijn kennis. De begrippen levensboom en kennisboom worden dan ook door elkaar gebruikt. Feit is dat in ieder geval ook al onze kennis in een hiërarchisch netwerk van boomstructuren is geordend.

Levensboom en kennisboom komen samen voor in de visie van de oorspronkelijke tuin van Eden, op zichzelf een geïdealiseerde totaalvisie van oorspronkelijke relaties binnen het scheppingsgeheel.

 

Het feit dat men niet van de vrucht van kennis mag eten of anders het overzicht van het geheel verliest is een aspect, dat hieraan gekoppeld wordt. Het zit ook in de Ierse mythe over Finneces wiens leerling van de zalm der kennis Fintan (afgeleid symbool van Oerslang en oerwater) proefde. De alziende arend of haan in Yggdrasil neemt geen deel in het geheel van de scheppingsboom, blijft er als het ware los van, spitst zich dus zeker niet op vruchten toe. Zou hij dat doen, dan verloor hij onmiddellijk het overzicht en de macht over het geheel. Zo verging het volgens de scheppingsmythe ook Adam en Eva, adem en leven, zodra die aan de algod gelijk dachten te worden door van de vruchten van de boom der kennis te eten, in plaats van uit de oerbron te blijven drinken. Ze verloren onmiddellijk het overzicht van het geheel, en waren gedoemd op die manier verder te gaan, als het ware excentrisch aan zichzelf geworden en aldus uit de harmonie van de ideale wereld gedreven. Voor de mysticus betekent dit dat hij zich niet via analyse en toetsen van kennisonderdelen kan verenigen met het universele, maar eerder door hiervan los te komen. Anders blijft het eindeloos zwoegen en zoeken.

Gulden vlies

Als in de oneindigheid ieder nietspunt zich oneindig vele malen voor doet en in zijn bewegingen een netwerk vormt dat tot boomstructuren is te herleiden, dan kan dit fijnmazig netwerk van relaties op zich beschouwd worden als een nevel of vlies van licht[5].

Hiernaar wordt ongetwijfeld impliciet in de vorm van het Gulden vlies verwezen. Het gaat om de oorspronkelijke scheppingslaag, het oerniveau van manifestatie dat als eerste grondweefsel voor de verdere complicaties van patronen dient. In die hoedanigheid is het ongerept, en onschuldig aan de verdere kronkels die het weefsel op hogere niveaus zal aannemen, dat wil zeggen niveaus of fazen van verdere concretisering en complexiteit.

 

(meer lezen...)

De Oerslang als archetype

Ook de Oerslang keert in talloze mythologieën terug, al naargelang de plaatselijke cultuur in licht gevarieerde vorm. Het betreft telkens een (bijna) oppermachtig oerwezen dat zich in de oeroceaan ophoudt en deze in feite verpersoonlijkt. De Oerslang is symbool van oorspronkelijke levenskracht, vruchtbaarheid, beweeglijkheid, regeneratie, en wordt aldus als vrouwelijk aanzien. De slang neemt deze symbolische betekenis in mythen in het algemeen aan, omdat zij in staat blijkt zichzelf te regenereren en sterk te vermenigvuldigen. Het vervellen wordt beschouwd als een wederopstanding uit de dood. Het zich vernieuwen en stapsgewijs vermenigvuldigen geeft in de tijdsdimensie de relationele structuur van de levensboom of evolutiestamboom weer, waarmee de slang dan ook steeds vereenzelvigd wordt en vice versa. Gezien haar respectabele leeftijd als oudste wezen in de kosmos wordt ook grote wijsheid met de Oerslang geassocieerd. Zij vertegenwoordigt vrijwel alle kennis die de natuur zich doorheen haar ontelbare lichtjaren heeft eigen gemaakt.

Text Box: Oerslang gezien door de vijfjarige Natan

Text Box: In de meeste mythologieën vergaat het deze slang niet zo best. Zij wordt om haar macht en kennis al snel tot afschuwelijke draak gedemoniseerd en door kleinere later ontstane goden en helden bestreden en bedwongen of zelfs gedood. Terwijl de Oerslang voor het vrouwelijke aspect van de natuur staat, vertegenwoordigen deze 'strijdergodheden’ of ‘stormgoden’ een eerder patriarchaal mannelijk aspect, dat poogt de natuur te onderwerpen. In sommige mythologieën verraadt de mythe ook herinneringen aan een onderliggende of zelfs uitgebroken strijd om de macht in de samenleving tussen aanhangers van het 'oude' en van het 'nieuwe' geloof met bijhorende gebruiken en visie op de sociale orde. Zoals Tiamat door Marduk wordt beheerst, zo ook ‘temt’ Thor de Midgaardslang, verslaat Jahweh de Leviathan en Apollon de Python. Maar er bleef sinds het Neolithicum een uitgesproken slangencultus op Minoïsch Kreta, in het Oude Kanaän, Egypte, Mesopotamië, en tot op vandaag nog in India  en Zuid-Amerika bestaan, wat erop wijst dat dit universeel mytheem in het menselijk denken als archetype voorafgaat aan het identificeren van individuele godheden, die allen uit latere mythologieën stammen. Het concept blijkt ook in recentere mythen, zij het vaak in afgezwakte vorm zoals die van Adam en Eva, voort te leven.

 

Voorbeelden van verzinnebeelding van de Oerslang:

·        Naga (bovennatuurlijk wezen) in de Oude Indiase mythologie, later ook Ka

·        Naunet in de Egyptische mythologie, later de Cobragodin en dan Apepi

·        Nammu in de Sumerische mythologie

·        Tiamat in de Mesopotamische en latere Sumerische mythologie

·        Lahmu en Lahamu in de Akkadisch Babylonische mythologie

·        Slangengodin in de Minoïsche mythologie

·        Azhi Dahaka (Grote Slang in het oud-Iranees) in de Perzische mythologie

·        Illuyankas in de Hettietische mythologie

·        Typhon in de Thracische mythologie, later in de Griekse opgenomen

·        Leviathan in de Hebreeuwse mythologie

·        Ouroboros in de Anatolische mythologie, later in de oudste Griekse de Python

·        Ladon bewaker van het Gouden Vlies, in de Hellenistische mythologie

·        Slang in de kennisboom van het Aards Paradijs in de Joods-Christelijke mythologie

·        Jormungand of de Midgaardslang in de Noordse mythologie

·        Quetzalcoatl in de Azteekse mythologie

·        Gucumatz - 'Gevederde Slang' in de Mayamythologie, scheppergod (Popol Vuh)

·        Regenboogslang bij de Aboriginals

·        Aido-Hwedo of regenboogslang in de West-Aftrikaanse mythologie

·        De Chinese draak

·        De Kundalini afkomstig uit de Dravidische en later Tantrische yogaleer

 

Waar deze dieren veelvuldig aan de oevers van rivieren en bronpoelen voor komen was symbolische associatie van de slang met levendigheid en generatievermogen voor de hand liggend. Het alledaags leven en de maatschappelijke organisatie steunden immers volledig op vruchtbaarheid schenkend water. En de talloze slangen die bij het wassen van de rivier prolifereerden werden als afstammelingen van de Oerslang aanzien, die in feite de hele evolutiestamboom had voortgebracht. Omdat deze associatie tussen slang en levensboom al heel vroeg gemaakt was, werden heiligdommen op hoogten gelokaliseerd waar zich ook een vruchtbare boom bevond, vaak een sycomorevijg. Altijd ging de slangencultus gepaard met het geven van levenskracht, genezing en orakels. Aanvankelijk waren de cultusplaatsen in riet of hout, later werd dat door leem of steen vervangen. Ook  deze tempels kregen steeds een vruchtdragende boom er vlakbij, of zelfs een hele boomgaard, en hielden in slangenkokers hun eigen slangen. Die werden gebruikt bij grotere en kleinere orakels (zoals oorspronkelijk in Delphi onder leiding van de priesteres van Artemis), en hun gif, eventueel gemengd met organische stoffen, werd in zekere dosissen als medicijn aangeboden. Sommigen beschouwden een mengsel van slangengif en bloed als levenselixir. Zo ontstond de esculaapslang, gewijd aan Asclepius, god van de geneeskunde. De tempels hadden wel een functie als regeneratie- en genezingsplaats, maar hun voornaamste functie was een huis op aarde te zijn voor de godin. Daar konden rituelen gehouden worden om haar te danken, gunstig te stemmen en raad te vragen. De godin werd soms met slangenhoofd afgebeeld, zoals Inanna.

 

Afgeleide vormen van de Oerslang zijn vermannelijkte figuren als Poseidon en Neptunus of de reus Aegir. In hun kielzog volgt een hele fauna van waterwezens, meestal herkenbaar aan hun kronkelende staart. Ze zijn een dankbaar gegeven in de decoratie van fonteinen (symbool van opborrelend leven uit de oerbron) en in de architectuur, zelfs van kerken en kathedralen. Ook schilders, dichters en componisten hebben hun vitaliteit in alle kleuren, vormen en toonaarden weergegeven.

____________


11.        Geschiedenis van de mythologie

Waarom is kennis van de mythologische evolutie belangrijk? Het geeft de geschiedenis van de oorsprong van onze cultuur weer. Bij nader inzicht is iedere mythologie een identiteits-chip van een volk. Elke cultuur steunt op een bepaalde religieuze en filosofische achtergrond, waardoor zij sterk bepaald is. Onze eigen maatschappelijke manier van zien, zijn en doen, inclusief ons rechtssysteem, politiek en militair systeem, wetenschap en technologie, maar ook kunst, zijn erop gestoeld of zijn er een reactie tegen. Deze achtergrond is op zijn beurt het resultaat van een relatief langzaam proces van uitklaring van elementen die tot een vroegere totaalvisie behoorden, en ooit in mythemen en mythen zijn neergelegd. Het is van zeker cultureel belang om de herkomst van onderliggende uitgangspunten in onze eigen hedendaagse totaalvisie te kennen, te weten welke dat zijn en van waar die komen, om anderzijds ook te ontdekken welke elementen er niet in voorkomen of er uit verdwenen zijn. Deze laatste kunnen eventueel nog worden ontdekt door vergelijking met andere culturen, die met de onze op het eerste zicht, en ook op een tweede en derde, helemaal geen verwantschap zouden hebben.

 

De manier waarop wij onszelf en de wereld tegemoet treden is bepaald door onze westerse culturele visie. Die is vooral gebouwd op wat ons in het verleden via de Romeinse en christelijke traditie is aangereikt. Dat betekent dat we tegelijk de rijkdom van deze cultuur hebben geërfd als basis, én de tekorten ervan. We mogen zeker niet vergeten dat het om een opgelegde cultuur gaat, en dat de ‘natuurlijke’ cultuur van Europa eerder die van Kelten en Germanen was. Er is trouwens tot op zekere hoogte onderlinge kruisbestuiving geweest voor de duur van het naast elkaar bestaan van de noordelijke culturen van Gallië, Germanië en Skandinavië met de zuidelijke culturen van het Middellandse Zeegebied. Heel wat Keltische, Germaanse en noordse invloed is vandaag nog wel in de westerse cultuur terug te vinden, denk maar aan de grote mythische thema’s die in literatuur, muziek en opera zijn verwerkt, en aan bepaalde taalelementen. Maar op de rug van de voort kruipende romanisering en latinisering konden relatief gemakkelijk de christelijke uitdrukkingen van deze en van vreemde thema’s vorm aannemen. En gastculturen hebben ook hun voorgeschiedenis en afstamming, die men kan afleiden. Mythologieën fungeren daarbij voor ons als identiteitslabels, aan de hand waarvan de weg terug kan worden blootgelegd, de weg die de Oerslang aflegde.

 

Spoelen we onze cultuurgeschiedenis vanaf heden omgekeerd terug af, dan worden alvast twee ‘strengen’ zichtbaar, welke via de Romeinse cultuur en het christendom terugvoeren naar het Midden-Oosten. Elk van deze strengen is op zich reeds een samenstelling, hoewel de ene als dragervehikel voor de andere naar onze streken heeft gediend. De christelijke traditie wortelt namelijk sterk in de joodse, terwijl de Romeinse via de Grieks hellenistische traditie is ontstaan. Dit kan men nagaan aan de hand van de mythologieën en dat zullen we hier beknopt ook doen.

 

De Romeinen hebben op zeker moment het initiatief van Alexander de Grote overgenomen om vanuit het westen het Midden-Oosten te annexeren. De hellenisering had er al toe geleid dat een nieuwe culturele wind over de Levant woei, iets waar de meeste gebieden hun voordeel mee deden, maar waar het Jodendom tegen ageerde met een conservatisme dat sedert de Babylonische ballingschap alsmaar uitgesprokener was geworden. Deze reflex kan deels verklaard worden als de behoefte van een dolend volk aan een eigen identiteit en cultuur. Ook in de periode, die aan de ballingschap rond 600 v. Chr. was voorafgegaan, hebben de stammen zich een soort identiteit toegeëigend, in meerdere fasen en ten koste van veel strijd, waarbij hun aantallen telkens uitgedund raakten, van Hebreeuwen over Israëlieten tot uiteindelijk Joden.

De mythologie van de Hebreeuwen (Habiru), die historisch en archeologisch gesignaleerd worden vanaf 2150 tot 1440 v. Chr., was een mengvorm van polytheïsme en natuurgodsdienst van rondtrekkende nomaden, en steunde niet alleen op de mythologie van het thuisland Mesopotamië, maar werd onderweg ook sterk aangevuld met elementen van de autochtone Kanaänitische mythologie. Hun oppergod was El en er waren later ook wat godinnen, waaronder de Asherah en Astharoth.  De stammen van Jacob (later Israël genoemd) onder deze menigte hadden neiging zich tot een enkele mannelijke godheid te beperken die volgens Egyptische bronnen Jaw werd genoemd, in feite een nieuwe naam voor El (‘God’), ook al lukte het de geestelijke leiders niet meteen om alle ‘afgoderij’ buiten hun gelederen te houden, dat wil zeggen de oeroude religieuze visie en rituelen van de overvallen inheemse Kanaänitische bevolking. Het waren deze rondtrekkende Israëlieten die, aangevuurd door de Levieten met hun uitgezuiverde mythologie, het vanouds gecultiveerde land Kanaän vanuit het oosten infiltreerden, aanvielen en grotendeels bezetten in tijden dat heel wat volken op drift waren terwijl zeevolken als de Filistijnen datzelfde land vanaf het westen binnendrongen. Deze laatsten vestigden zich eerder op de kusten en brachten daar hun verre Minoïsche en nu Myceense cultuurinvloed mee, die zoals de oude plaatselijke cultus, ook sterk rond een moedergodin gecentreerd was. De archeologie heeft tempels blootgelegd waar sporen daarvan zijn gevonden, inclusief artefacten die wijzen op de verwante Minoïsche slangengodin cultus met bijhorende riten.

De twee visies die elkaar in het oude Kanaän ontmoetten waren gedoemd om sterk met elkaar in botsing te komen, wat ook gebeurde en waar we ongetwijfeld vandaag nog steeds de naschokken van waarnemen in het Midden-Oosten.

 

De Israëlieten sleepten deels beide visies met zich mee, maar verenigden zich, met veel moeite en geregelde terugval, in een heilig verbond rond de vadergod. Zij worden gesignaleerd van 1500 tot 722 v. Chr. In die tijd hebben zij hun eigen koninkrijkjes in het heuvelgebied gevormd, aanvankelijk ca. 1000 v. Chr. in een configuratie waar meteen de aan de moedergodincultus houdende Feniciërs zich van afscheidden, en die vervolgens van 922 tot 586 v. Chr. vanwege interne twisten rond deze cultus en de oude gesplitst raakte in ‘Israël’ en ‘Juda’, waarbij het eerste al in 722 v. Chr. ophield te bestaan.

(meer lezen...)

 

De boeken Job en Jona zouden volgens de meeste deskundigen post-hellenistisch zijn, en reeds een reactie tegen het eng exclusivisme van het Babylonisch Jodendom. Het Christendom heeft zich daarop als versterking kunnen enten. Voor de christenen (aanvankelijk joden) werd de algod nu de God van iedereen, ook niet-joden, en er was geen voorbestemming of beperking meer in aantal of geslacht van mensen die het hiernamaals konden bereiken.

Die joods-christelijke cultuurstreng heeft zich middels de Romeinse cultuur kunnen verspreiden.

 

Maar hoe zat het met de Romeinse cultuur zelf, die zich over onze contreien uitbreidde? Ook zij is niet uit de lucht komen vallen. Zij had zich eerst geënt op de hellenistische cultuur. Dat wil zeggen dat bijvoorbeeld zowat alle godheden van de Griekse mythologie, en dat waren er al heel wat, hun plaatsje vonden binnen de Romeinse. Vaak werd er

(meer lezen...)

 

____________


12.        Relatie natuur en cultuur

Mensen zijn nogal geneigd scherp onderscheid te maken tussen cultuur en natuur. We sluiten onszelf dan bij de natuur uit, en beschouwen al wat we doen en denken en maken in die aparte categorie van cultuur, die dan ‘typisch des mensen’ is.

In dit hoofdstuk gaan we daar wat dieper over nadenken. We zullen nagaan of die strikte scheiding tussen natuur en cultuur wel zo terecht is en of ze werkelijk opgaat als men de zaken tot in de diepte, tot bij hun bron, gaat beschouwen. Ook willen we het begrip cultuur in een ruimere evolutiecontext zien en de aard, werking en functie ervan proberen te begrijpen. Dan is zeker ook nog enige vergelijking mogelijk met aanverwante aspecten van dierlijk en zelfs van plantaardig leven.

We zullen ontdekken dat cultuur inderdaad geen los op zich staand gegeven is, maar dat het nooit helemaal is weg te denken. Cultuur in ruime zin maakt in de praktijk integraal deel uit van het leven, en bepaalt in haar eigen gradaties mee de kwaliteit van verschillende levensvormen en levensstijlen van natuurlijke organismen en organisatievormen.

Cultuur als toegevoegde waarde

Wat bedoelen we in deze ruimere context met ‘cultuur’? Zoals reeds in de inleiding gesteld is: ‘een collectieve manier van beschouwen, verwerken van, en reageren op het natuurlijk gegevene’. Met andere woorden een hoog verzamelbegrip voor alle vormen van waarneming, beschouwing/verwerking, en interactie. Eenvoudig gezegd: een manier van zien, zijn en doen.

(meer lezen...)

Vrijheidsgraden bepalen cultuurniveau

Algemeen kan men stellen dat cultuur, in tegenstelling tot puur natuur, optreedt bij individuen met hogere vrijheidsgraden. Hiermee bedoelen we in eerste instantie bewegingsmogelijkheden. Dit principe geldt voor alle organismen, niet alleen voor de mens.

Kristallen of virussen hebben niet zo gek veel bewegingsmogelijkheid, hun ‘cultuurvorm’ valt samen met hun natuurlijke vorm, zou men kunnen stellen.

Maar een individuele zonnebloem heeft, ondanks het feit dat ze vast in de grond staat, al een zekere vrijheid van beweging. Er is niet alleen de buigzaamheid van stengel en blaren, die maakt dat het geheel passief met de doorsnee wind gaat mee wiegen zonder te breken. Er is ook een wat actievere vrijheidsgraad van de bloemkroon zelf, die zich van de zon weg kan richten. Alle zonnebloemen doen dat op ongeveer dezelfde manier, met hetzelfde resultaat: tot volle rijpheid komen met optimale zaadjes om de soort te laten overleven.

Men zou kunnen zeggen dat zonnebloemen een collectieve cultuurvorm hebben die samenvalt met hun natuurvorm. Ze doen allemaal identiek hetzelfde.

 

Naarmate een organisme meer complex is, heeft het kans op meer vrijheidsgraden. Dieren zijn complexere organismen die niet in de grond vast staan, maar zich kunnen verplaatsen. Hele kuddes verplaatsen zich zo volgens bepaalde patronen, afgestemd op natuurlijke wetmatigheden.

Indien het menselijk lichaam uit een stijve ruggengraat zou bestaan, met daaraan slechts enkele stijve ledematen, dan zou ook dat een veel geringere combinatie aan bewegingsmogelijkheden hebben. Maar ieder gewricht, ieder nieuw vingerkootje, levert een extra vrijheidsgraad met mogelijkheid van gecombineerde beweging en hogere uitdrukkingsvormen.

Gezien alleen al het aantal gewrichten dat een menselijk skelet telt, is het aantal vrijheidsgraden ervan bijna niet te tellen, laat staan het aantal mogelijke houdingen van het gehele organisme als combinaties daarvan. Dit lijkt ons dan ook een basisreden voor de hoge vrijheidsgraad die de mens ten opzichte van andere soorten geniet.

Bij toevoeging van iedere vrijheidsgraad stijgt het aantal mogelijkheden exponentieel. Naarmate een organisme uit meer geledingen bestaat, die elk hun eigen bewegingsgraad kennen, wordt het aantal patrooncombinaties van wat men ‘gedrag’ kan noemen groter.

 

Bovendien heeft het organisme niet alleen al die mogelijkheden op het vlak van het skelet met daaraan gekoppeld spierstelsel. Er is ook vrijheid op een veel dieper niveau van beweging: bijvoorbeeld zenuwimpulsen via netwerken van neuronen en hun synapsen. En er is op een nog dieper niveau beweging van gedachte-impulsen met alle mogelijke combinaties van dien. Dus daar is de totale potentiële vrijheidsgraad grenzend aan het oneindige.

 

Natuurlijk is gedrag altijd grotendeels bepaald, en beperkt, door de ontwikkelingsgraad van onderliggende dragermechanismen (van waarneming, opslag, beschouwing en verwerking). Zo zijn op alle niveaus een aantal vrijheidsgraden ingebouwd die elkaar kunnen versterken of beperken. Globaal laten zij het organisme en de groep een relatieve gedetermineerde vrijheid. Dat wil zeggen de vrijheid is relatief groot, maar tegelijk ook beperkt tot het maximum aan combinatiemogelijkheden van die vrijheidsgraden en bovendien bepaald in tijd en ruimte. Met andere woorden bepaalde vrijheden hebben zo hun limieten.

Men kan bijvoorbeeld een bepaald beeld als twee naar elkaar gewende gezichten dan wel als een kruik zien en ondervindt mettertijd wat de beste manier is. Als je een boomstam zou beschouwen als de doorgang tussen twee struiken, dan kan je dit beeld cultiveren, tot de dag waarop je van die ‘doorgang’ gebruik zou willen maken. Al doende leert het organisme welke manier van beschouwen, en van waarnemen in functie van die beschouwing, het meest kans op succes levert. Zo heeft de mens uiteindelijk ook zijn eigen totaalvisie van beschouwen ontwikkeld en leeft in functie daarvan met wisselend succes. Het uiteindelijk gedrag laat op zijn beurt weer heel wat keuzes aan mogelijke patronen en stijlen, en combinaties van dat allemaal. De manier waarop men van een vermeende doorgang gebruik maakt bepaalt of men er iets van leert dan wel eraan ten onder gaat.

Natuurlijke selectie van gedragspatronen

Binnen al die combinaties zijn bepaalde vormen van gedrag dus succesvoller dan andere. Er zijn er zelfs ook bij die ronduit schadelijk zijn voor het eigen organisme of voor de buren, of aldus beschouwd worden, en taboe zijn.

(meer lezen...)

Natuur en cultuur in elkaars verlengde

Het blijkt dus dat cultuur en natuur in aanleg al zeer sterk met elkaar verweven zijn.

Neutraal gesteld is cultuur de verzameling van alle mogelijke manieren van waarnemen, opslaan, beschouwen, verwerken en reageren. Scherp gesteld is het de verzameling vrijheidsgraden die aan de basisvorm van een organisme zijn toegevoegd. Optimaal bekeken is het de verzameling van succesrijke gedragspatronen. De waarde van cultuur komt inderdaad slechts tot uiting in alle vormen van gedrag, (gedragsvormen zowel in de fase van waarneming  en opslag als van beschouwing en verwerking, als van eventuele reactie naar de buitenwereld), die op termijn gunstig zijn voor ontwikkeling en voortbestaan van de eigen soort. (We noemen de manier van beschouwen, inclusief totaalvisie, dus gemakshalve ook een vorm van gedrag.)

 

Cultuur kàn niet op zichzelf bestaan, zonder dragerorganisme. Het dragerorganisme is op zich reeds samengesteld volgens bepaalde patronen, heeft de cultuur dus reeds in zich, want er zijn alvast daar ook variërende patronen mogelijk. Enkel verstandelijk kunnen we abstractie maken van het aspect cultuur en als op zichzelf bestaand gaan beschouwen. In de realiteit lijkt het er soms misschien op dat een cultuur een eigen leven leidt, omdat niemand in het bijzonder er zichtbaar rechtstreeks invloed op uitoefent, maar iedereen er eerder zelf door wordt beïnvloed en gevormd, via onderwijs, opvoeding en reclame. En verder kunnen we ons ook blindstaren op de artefacten, de producten, die cultuurgebonden zijn, en die, vaak enorm rijke verzameling, als een gegeven op zich gaan beschouwen. Maar dan vergeten we dat dit slechts de uitstervende echo’s zijn van wat ooit levende gedragen cultuur was. Ze werd gedragen door en was inherent aan een levend natuurlijk organisme of collectieve verzameling organismen, een stam of volk. Het is de lege huid van de Oerslang, die zelf altijd voort kruipt.

 

Cultuur is dus inherent aan natuur, en cultuurproducten zijn producten van de natuur, ook die van de mens, in zoverre we hem als tot de natuur behorend beschouwen.

Strikt genomen zou men zelfs kunnen stellen dat natuur zonder cultuur wel mogelijk is, en cultuur zonder natuur niet. Maar in de praktijk is het zo dat cultuur zoals we reeds zagen voor de natuur op termijn toch wel van vitaal belang is voor het voortbestaan van de soorten organismen. Cultuur groeit in beginsel intrinsiek met de natuurlijke evolutie mee.

(meer lezen...)

Culturele evolutie

Menselijke samenlevingen en culturen evolueren mee met evoluerende natuurlijke omstandigheden of gaan daaraan ten onder. Daarvan zijn genoeg voorbeelden in de grote geschiedenis van de mensheid. De les die we hieruit kunnen trekken is dat dergelijke culturen enerzijds wel voldoende rijk en competent waren om voor zeer lange tijd aanzienlijke bevolkingsgroepen in stand te houden en tot hoge bloei te laten komen, maar dat er anderzijds op de nog grotere tijdsschaal iets aan hun basis haperde.

Aangezien zij niet voldoende op inmiddels gewijzigde natuurlijke wetmatigheden waren afgestemd, kan men zeggen dat ofwel hun paradigma, hun totaalvisie, niet ruim genoeg is geweest, ofwel, indien zij dat toch was, niet voldoende verbreid is geweest bij alle individuele vertegenwoordigers van die samenleving, of alleszins niet voldoende in al haar nuances is toegepast. Een echte totaalvisie moet immers aanleiding geven tot inzicht in alle mogelijke aspecten van het geheel van de kosmos en de natuur die er regeert. En dit inzicht moet aanleiding geven tot anticiperend en aangepast gedrag bij zich wijzigende omstandigheden[6].

 

Waarom die oude beschavingen faalden is dus de vraag. Maar is het wel juist te stellen dat zij faalden? Hebben zij niet als oude bomen het zaad voortgebracht voor eindeloos volgende ‘nieuwe pogingen’? Het is alleen indien we ons blindstaren op de uiterlijke vormen van beschavingen en samenlevingen dat we tot het besluit moeten komen dat ze op termijn telkens weer falen. De vaste vormen die ze hebben aangenomen zijn op termijn telkens weer ten onder gegaan en tot ruïnes en stof herleid en hun vertegenwoordigers zijn lang uitgestorven. Maar zo richten we ons op de achtergebleven huid van de Oerslang, die zelf doorkruipt.

Richten we onze aandacht echter op dat wat er wél overblijft en telkens opnieuw opduikt en vorm aanneemt via vernieuwde kennis, dan blijkt het geheel een groot succes. Dan zien we dat wij dwergen zijn die op de schouders van reuzen staan. En dat er telkens opnieuw reuzen en nieuwe dwergen zullen opstaan.

Dat houdt in dat wij als hedendaagse dwergen de opdracht hebben reuzen te worden. Dankzij het erfgoed van onze voorouders hebben wij de kans het heersend paradigma telkens wanneer nodig te vernieuwen en te verruimen.

(meer lezen...)

 

____________

 

 

 

 


Nabeschouwende samenvatting

 

Het universele denken van de mens werd zowel naar inhoud als naar vorm benaderd.

Als vorm werd het denken op zich beschouwd, in zijn verschillende gradaties en modaliteiten, van pril eenvoudig onderscheid tot diep mystieke ervaring.

We hebben eerst voldoende aandacht geschonken aan de organisatievormen daar rond, enerzijds spontaan ontstaan, anderzijds gewild, maar steeds gericht op het voortduren of in stand houden van totaalvisie en fundamentele eenheidservaring. Daarbij werden ook de verschillende soorten informatiedragers genoemd, levende zowel als dode.

Dit leverde ons een aantal constanten op en bracht ons tot de gemeenschappelijke vorm en ook inhoud en betekenis die per traditie wordt overgedragen. We hebben de inhouden samengevat in de benoeming van universele archetypische symbolen.

Belangrijke aspecten zoals het godsbegrip en de relatie tussen cultuur en natuur zijn nog eens uitdrukkelijk in aparte hoofdstukken in de verf gezet.

 

Tevens hebben we gepoogd te wijzen op de symboliek als hulpmiddel om de inhouden van verworven inzichten weer te geven, en op het steeds terugkerend gevaar van verknochtheid aan de uiterlijke verschijningsvorm van deze symbolen, die enerzijds voor continuïteit zorgt, maar uiteindelijk ook verdere evolutie in de weg kan staan, zoals de huid van de Oerslang, die telkens te nauw is geworden en moet afgeworpen worden, maar waarvan we aldus het historisch spoor kunnen natrekken.

 

Thema van dit boek was de manier waarop mensen door de vele eeuwen heen hebben gepoogd een totaalconcept te beschrijven en te beleven van wat is en wat hen omringt. We belandden aldus automatisch bij de grote religieuze tradities, bij mythologieën, en zelfs bij de cultuurvormen van zogenaamd primitieve volken.

Het was niet de bedoeling tradities, mythologieën en cultuurvormen elk afzonderlijk te analyseren en te bestuderen zoals ze tot ons zijn gekomen, maar wel aandacht te kweken voor het verschijnsel van het universele denken als zodanig.

Uiteindelijke bedoeling kan wel zijn om aan de hand van elementen uit al deze culturen te komen tot een concreet samenhangend beeld van de fundamentele gemeenschappelijke factor: dat wat de mens universeel echt in zijn diepste beweegt en bezighoudt.

Maar om dat te kunnen realiseren moeten we eerst afstand nemen van vooral de eigen uitdrukkelijke cultuurvormen en deze als verschijnsel plaatsen temidden alle mogelijke andere culturen uit heden en verleden.

 

Algemene conclusie van deze exploratietocht in ruimte en tijd is dat het universele denken van de mens een zeer eigen en soms eigenzinnige koers vaart, onafhankelijk op zich zoals de natuur zelf, gesymboliseerd in de Oerslang, maar toch gekleed in vormen en inhouden van omstandigheden waarin het zich voor doet en die het als expressiemateriaal lijkt uit te kiezen.

 

Het universele denken van de mens, van ieder van ons, is de exploratietocht door ruimte en tijd, op zoek naar de essentie, pogend deze uit te drukken en vast te leggen in een veelheid aan synoptische begrippen en beelden, zodat het nageslacht hiermee telkens vanaf een hoger stadium van culturele verworvenheden hetzelfde proces kan herhalen, en waar nodig ook verruimen, of vernieuwen, om efficiënt te overleven. Zo kruipt de Oerslang eeuwig voort.

 

____________

 

Literatuur

Abbes, J.K. 1997: “De moord op de moedergodin”, Pelckmans, Kapellen

Bathurst Deane, John, 1833:The Worship of the Serpent”, J.G. & F Rivington, London

Balter, Michael, 2005: ''The Goddess and the Bull'', Free Press, New York

Baring, Anna & Cashford, Jules: ''The myth of the Godess – evolution of an image'', Penguin, Arkana

Bergson, Henri, 1958: '' Les deux sources de la morale et de la religion'', 88e ed., P.U.F,  Paris

Budge, E.A. Wallis, ''Studies in Egyptian Mythology'', Vol. 1-2, Dover Publications, Inc. New York, 1969, ISBN 0486220559

Budge, E.A. Wallis, 1988, ''From Fetish to God in Ancient Egypt'', Dover Publications, Inc. New York, ISBN 0486258033

Cotterell, Arthur, 2004: “Encyclopedie van de wereldmythologie”, Uitgeverij P, Leuven, ISBN 1 40542 107 X

Davis-Kimball, Jeannine & Behan, Mona, 2002: ''Warrior Women: An Archaeologist's Search for History's Hidden Heroines'', Warner Books, New York, ISBN 0446679836 9780446679831

De Santillana G. - Von Dechend H., 1969: “Hamlet's Mill: An Essay Investigating the Origins of Human Knowledge And Its Transmission Through Myth”, D. R. Godine, Jaffrey, Cambridge

de Vries Jan, 1953Edda - Goden- en heldenliederen uit de Germaanse oudheid'' vertaling, 1978 zesde druk, herzien door Aleid Boon-de Vries en prof. dr. J. A. Huisman, Ankh-Hermes, ISBN 9020248782

del Giorgio, J.F. 2006: ''The Oldest Europeans''. A.J. Place, CA,  ISBN 980-6898-00-1

Dumézil Georges, 1924 : "Étude de mythologie comparée indo-européenne", thesis, Annales du musée Guimet

Durkheim, Emile, 1912, 2005: ''Les Formes élémentaires de vie religieuse'', 5e ed. , PUF, Paris

Eliot Alexander,  1977: “Mythen van de mensheid”, Kosmos Amsterdam, ISBN 90 291 5748 8

Ergener, Reşit, 1988: ''Anatolia land of Mother Goddess'' Hitit publication Ankara, ISBN 9757521027

Fontenrose, J. E., 1959: “Python: a study of Delphic myth and its origins, Berkeley and Los Angeles: University of California Press, California

Frazer, James, 1890: ''The Golden Bough - A Study in Magic and Religion'', Penguin Classics, Nederlandse vertaling 2008 (selectie): ‘De Gouden Tak’, Olympus Pockets, Sneek

Gardiner, A.H., 1954: “The Theory of Proper Names - A Controversial Essay, Oxford University Press, London

Gimbutas, Marija  1991: ''The Civilization of the Goddess'', Harper, San Francisco

Gimbutas, Marija  1989: ''The Language of the Goddess'', Thames & Hudson, Londen

Heidegger. M.,  1967: “Sein und Zeit”, Niemeyer, Tübingen

Hornung, Erik 1982 & 1996, ''The One and the Many - Conceptions of God in Ancient Egypt'', Cornell University Press, New York, ISBN 9780801483844

Horowitz, A. en T. Maley, (red.) 1994: ''The Barbarism of Reason: Max Weber and the Twilight of Enlightenment'', University of Toronto Press, Toronto

Jacobsen, Thorkild, 1968: “The Battle between Marduk and Tiamat”, Journal of the American Oriental Society, Vol. 88, N° 1 (Jan. - Mar.), pp. 104-108, New Haven (Conn.)

Johnson, S.B, 1990, ''The Cobra Goddess of Ancient Egypt'', Kegan Paul, London

Les Places E., 1969 : ''La Religion grecque: dieux, cultes, rites et sentiment religieux dans la Grèce antique'', Picard, Parijs

Levi-Strauss, Claude, 1968: “Het wilde denken”. Meulenhoff, Amsterdam, ISBN 90 290 0613 7

Libbrecht, Ulrich,1995: ''Geen muren rond culturen'', Davidsfonds, Leuven, ISBN 906152900x

Loyd Seton, prof., 1967: “Early Highland Peoples of Anatolia”,  Thames and Hudson, London

Magnussen, M. 1978: “Graven in Bijbelse Bodem - Archeologie van de landen van de Bijbel”, Westland, Schoten, ISBN 9024670209

Mellaart, James 1967: ''Catal Hüyük: A Neolithic Town in Anatolia'', Thames & Hudson, London

Moorey, P.R.S. 1975: Biblical Lands - The Making of the Past, Elsevier-Phaidon, London

Neumann, Erich. 1991: ''The Great Mother: An Analysis of the Archetype''. Bollingen; Repr/7th edition. Princeton University Press, Princeton, NJ. ISBN 0-691-01780-8

Patai, Raphael, 1967: “The Hebrew Goddess”, derde editie (1990) Wayne State University Press, ISBN 0-8143-2271-9

Pearce, Joseph Chilton 1980: “Het magische kind”, Orion Brugge ISBN 90 6020 288 0

Pettazzon R., 1960: ''Der allwissende Gott. Zur Geschichte der Gottesidee'', Universitätsbibliothek, Frankfurt

Prigogine, Ilya, Prof. Dr., “Het einde van de zekerheden : Tijd, chaos en natuurwetten”, Lannoo, Baarn/Tielt

Prigogine, Ilya, Prof. Dr., 1987: “Orde uit Chaos - de nieuwe dialoog tussen de mens en de natuur”. Uitg. Bert Bakker, Amsterdam

Riemschneider, Margarete Dr., 1958: “De wereld der Hethieten”, Uitg. mij. Holland, Amsterdam

Roberston Smith 1894: “Religion of the Semites” , Kessinger Publishing, London

Roosens, Eugeen ''Sociale en culturele antropologie'', Acco, Leuven, 1984, ISBN 90-334-1097-4

Selim, Nahed, 2007: “Allah houdt niet van vrouwen”, Houtekiet, Antwerpen, ISBN 9789052409580

Shahrukh Husain, 1997: “The Goddess”, DBP, London, ISBN 1 900131 99 4

Stone, Linda, 1997: “Kinship and Gender. An Introduction“, Westview Press, London

Sturluson, Snorri – “Over de noordse goden – Verhalen uit Edda en Heimskringla'' – Nederlandse vertaling 1983 door Paula Vermeyden e.a., Meulenhoff, Amsterdam, ISBN 9029019018

Stone, Merlin 1979: ''Eens was God als Vrouw belichaamd'', Servire, Katwijk, ISBN 9060775821

Teirlinck, Johan, 2005: “Het actuele denken, De mentale ruimte, contaminaties en serendipiteit”, Uitg. Acco, Leuven, ISBN 90 334 5990 6

Timmer, Maarten, 2001: “Van Anima tot Zeus: encyclopedie van begrippen uit mythologie, religie”, Lemniscaat Publishers , Rotterdam

Vian F., Puech H.-Ch. (ed.), 1970 : "La Religion grecque à l'époque archaïque et classique", in H.-Ch. Puech (ed.), “Histoire des religions”, I, pp. 489–503, Parijs

Vogt, E.Z. (ed.), 1970 : "On the Concepts of Structure and Process in Cultural Anthropology", , vol. 62, nr 1

Walker, Barbara G. 1986: ''The Woman's Encyclopedia of Myths and Secrets'', Harper & Row, Londen, ISBN 006250925X

Wilkinson, Richard H., ''The complete Gods and Goddesses of Ancient Egypt'', Thames & Hudson, London, 2003, ISBN 0500051208

 

 

 

 

 

Van deze auteur verschenen:

Pirard, B.J.G.Gh., 2006, “Het Grijpbare Niets - Een metafysisch model als antwoord op de fundamentele zijnsvraag”, Filosofisch essay, PB 208 p. ISBN  90 810 6971 3

tweede druk 2009:  PB 236 p. ISBN 978 90 796 6605 8

Pirard, B.J.G.Gh., 2007: “De Oerslang of het Universele Denken  – Ontstaan en Ontwikkeling van Kennistradities, Mythologieën en Religies” – Antropologisch essay, PB 106 p. ISBN 978 90 810 6972 4 

tweede druk 2009 PB 191 p. ISBN 978 90 796 6606 5

Pirard, B.J.G.Gh., 1964,2009: “Als engelen zat zijn”, - Surrealistische kolderroman ISBN 9789081069793

Pirard, B.J.G.Gh., 2009: “Tussen Spiegel en Speer – Relatie tussen de seksen door de millennia heen” – Antropologisch essay,  ISBN 9789079666041 (9789081069700)

Pirard, B.J.G.Gh., 2010: “De Mensvriendelijke Tuin”, - Theoretisch en praktisch tuinboek met dubbele bodems, ISBN 9789081069755

Pirard, B.J.G.Gh., 2010: “Aforismen van 1964 tot nu” ISBN 9789081069748

Pirard, B.J.G.Gh., 2011: “De Levende Kennispiramide – De Wetten van het Denken” – Psychologisch essay, PB 400 p. ISBN 9789079666003 (9789081069731) 

Pirard, B.J.G.Gh., (vert.) 2011: “Alle liefde vloeit naar het Zelf – Eeuwige verhalen uit de Upanishaden” ISBN 9789081069762

Pirard, B.J.G.Gh., 2011: “Hogere gezondheid - Het fijne lichaam, voeding en afvalstoffen”  - Spiritueel essay, ISBN 9789081069779

Pirard, B.J.G.Gh., 2012: “De kosmos als nijlpaard - Mythologie als wetenschap” , - Antropologisch essay ISBN 9789081069786

 

(meer lezen...)

 

____________

 

 



[1] Hieraan is het boek “De Levende Kennispiramide” van deze auteur gewijd. Het beschrijft een theoretisch model voor zowel de individuele kennisstructuur, als die van een gemeenschap of van de hele kosmos.

[2] Zie “Het Grijpbare Niets – Een metafysisch model als antwoord op de fundamentele zijnsvraag” van dezelfde auteur.

[3] Als men beschouwt welke theoretische en technische vaardigheid nodig is geweest om enkel al die megalieten in positie te brengen, dan kan men zich gemakkelijk voorstellen dat dit slechts de laatst overgebleven steunberen zijn van oorspronkelijk zeer verfijnde bouwwerken. Het is niet onmogelijk dat het om een ringvormige structuur ging, de wanden tussen de magalieten deels opgevuld met kleinere stenen, klei en leem, en het geheel afgewerkt met een beschilderde kalklaag. En in de muur op afgemeten plaatsen de openingen waardoor de eerste zonnestralen op de cruciale data naar een centrale markering wezen. Men kan zich dergelijke constructie ook nog eens versierd met tekens en symbolen voorstellen. Het dak kan in hout zijn gemaakt, belegd met stro of kleipannen, of uit concentrisch gestapelde plattere stenen. De vorm kan dan best koepelvormig zijn geweest, met opnieuw grotere kijkgaten om de sterrenhemel te observeren.

[4] Iets wat in onze moderne tijd duidelijk veel minder het geval is, waar alle disciplines van beschouwing zowat los van elkaar en elk op zichzelf lijken te bestaan. Op zich een reflectie ook van grote verwarring, verscheurdheid en verdeeldheid in de moderne mens zelf.

[5] Zie Het Grijpbare Niets (lit.)

[6] Illustratie van een haperend ‘totaalbeeld’ op kleinere schaal is het ontwerp van een meesterwerk als de Golden Gate brug in Californië. Dit werd in eerste instantie ontworpen om te blijven bestaan ondanks alle extreme trillingen veroorzaakt door wind, verkeer en eigen resonantie. Toch heeft men pas laat ingezien dat een aardbeving als die van 1906 met 6,9 op de Richterschaal de brug zou hebben vernietigd, en is men in ijltempo aan een upgrade begonnen, hopende er tijdig mee klaar te zijn, nog vòòr de volgende aardbeving van die omvang.